De Ronde van Tim Krabbé Fiets en Beleving

Ronde van Tim Krabbé 2003

Erik van Leeuwen, zijn verhaal.

'Er is al het nodige over gezegd en geschreven, ook ik heb mijn persoonlijke beleving van de Ronde van Tim Krabbé 2003 ‘op papier’ gezet. Mijn ervaring is dat je in een korte vakantietrip soms zoveel dingen meemaakt waarvan je snel de helft vergeet, tenzij je het opschrijft. Hier het relaas van een ‘Columbiaan in de Cévennen’.'

Wat er aan vooraf ging
Ieder van de deelnemers had wel een reden om zich aan te melden voor dit bijzondere fietsinitiatief. “Hoe ben jij ertoe gekomen?” was de eerste dagen een veelgehoorde vraag. De aanleiding was niet zo bijzonder: 'Ik zag een poster hangen'. Maar wat daaraan vooraf ging was toch niet alledaags.

Toen mijn broer op 15-jarige leeftijd overleed was ik enig kind thuis. Met mijn ouders ging ik meestal kamperen in Frankrijk, vaak in combinatie met een paar Touretappes (we stonden boven op de Galibier toen Joop in 1980 de Tour won) en natuurlijk ging de fiets mee. Toen mijn moeder 11 jaar geleden overleed vond ik het min of meer mijn morele verplichting om voor mijn vader te blijven zorgen. We gingen nog vaak met vakantie en namen de fiets mee. Hij was voetballer en atleet van huis uit, en net als ik een ‘mooi weer’ fietser. Toen hij ziek werd, werd hij ´volgwagen´. Toen zijn toestand ook dat niet meer toeliet, werden mijn fietsritjes beduidend korter en was er van een fietsvakantie al helemaal geen sprake meer. Ondanks zijn afkeer van alle medische toestanden (zowel mijn broer als mijn moeder hebben er veel tijd doorgebracht in het ziekenhuis en zijn er uiteindelijk overleden), was het onvermijdelijk dat ook hij er terecht zou komen. Zijn toestand was toen al zeer zorgwekkend. Met de nodige ingrepen, bestralingen en thuiszorg heeft hij het nog zo´n 4 jaar uitgehouden.

In augustus zaten we samen op de tribune bij het EK atletiek in München. Het was erg vermoeiend voor hem, maar als oud-atleet genoot hij er wel van en hij gunde het mij zozeer om mijn vrienden Kamiel Maase en Simon Vroemen te zien lopen. We juichten om Simon´s zilveren plak op de steeplechase en treurden om Kamiel’s dramatische val op de 10.000 meter.

Eind september zijn we nog eenmaal op vakantie geweest. Niet meer de hele rit naar Zuid-Frankrijk, maar luxe met de autoslaaptrein naar Narbonne (en de fiets in de auto). Meer dan een paar ritjes van hooguit een uur reed ik niet, want ik wilde hem niet te lang alleen laten. Hij was in zijn toestand zo bang dat me iets zou overkomen. Hoewel “43 Wielerverhalen” tot mijn vaste reisbagage behoorde, was het er om onduidelijke redenen nooit van gekomen om “De Renner” te lezen, maar ditmaal besloot ik dat goed te maken en had ik via Internet de pocketuitgave besteld. Zo las ik dus ergens in de Pyreneeën over de heldendaden van Tim in de Cévennen en ik vond het prachtig.

Na die vakantie ging mijn vader’s toestand verder achteruit en bleek er ook op medisch gebied niets meer aan te doen te zijn. Eén dag voor Kerst overleed hij, toch weer in dat vermaledijde ziekenhuis. Sindsdien woon ik alleen in het huis van mijn ouders en heb na al die moeilijke jaren ineens vrijheden die ik lang niet gekend heb. Sporten was al die jaren zo ongeveer mijn enige verzetje geweest, maar altijd met de nodige beperkingen. Ik moest en zou dus zeker dit jaar een fietsvakantie gaan doen. Hoe het daar kwam weet ik niet, maar ineens hing er in februari in de kleedkamer van de atletiekclub in Leiden een flyer van de Ronde van Tim Krabbé. Dit was wel een bijzondere samenloop van omstandigheden. Via de website las ik over de achtergrond en opzet van de reis en ik werd steeds enthousiaster en meldde me aan.

Top

Voorbereiding
Ik wachtte op een beetje lekker voorjaarsweer om de racefiets van zolder te halen. In april begon ik met korte ritjes. Ik kan in Wassenaar kiezen voor de duinen richting Noordwijk-Zandvoort of voor de polderwegen van het Groene Hart. De ritjes werden wat langer en bleven helaas niet altijd droog. Op 2e Paasdag heb ik voor het eerst van mijn leven een toertocht gereden, en wel die met heuvels vanuit Driebergen. Na 100 km redelijk uitgewoond, maar er was nog tijd om aan de vorm te werken. Met name de lengte van de ritten zal me gaan opbreken. Ik ben dan ook een 10 kilometerloper. Een halve marathon is nog wel te doen, maar een hele lijkt me echt een lijdensweg.

Een vriend uit Zwolle daagde me uit om de Fietschallenge te doen en dat leek mee eerlijk gezegd wel een aardige uitdaging. 150 kilometer met 23 beklimmingen in de Voerstreek was een forse kluif. In kon op de beruchte Kinkenweg wel op de fiets blijven, maar moest bij de verzorgingsposten echt wel even ‘bijtanken’ en rug en zitvlak wat rust gunnen. De avond erna liep ik weer 14 x 200 meter op de atletiekbaan en dat viel niet eens tegen. Op Hemelvaartsdag liep ik notabene een persoonlijk record op de 1500 meter (4.34.42), dus de combinatie fietsen-lopen pakte nog aardig uit. De laatste weken nam het mee-organiseren van de Gouden Spike wel veel tijd in beslag en kwam er niet heel veel meer van fietsen. Desondanks hoopte ik klaar te zijn voor de vijfdaagse veldtocht in de Cévennen.

Top

Heenreis
De kennismaking op Schiphol was vroeg maar zeker gezellig. Zoals ik verwachtte was het een behoorlijk gemêleerd gezelschap, niet alleen qua leeftijd maar ook qua fietservaring. De 100 cols en LBL’s vlogen in het rond in de trein naar Brussel. Meindert had zich niet alleen fysiek goed voorbereid, maar ook een compleet dossier aangelegd met routes en hoogteprofielen. Ik was benieuwd hoe hij dat met zijn aangepaste fiets met hoog stuur zou gaan doen.

De TGV-rit tot Lille was super, maar daarna stroomde de trein zo vol dat we tot in Nîmes ons niet meer hebben verroerd. Gelukkig had ik aardig wat proviand mee om de dag door te komen. Ondertussen loste Jarich de schaakraadsels van Tim Krabbé op en kluste Meindert bij als babysitter. Toen we ons in Nïmes uit de trein wurmden bleek het toch wat warmer te zijn dan in de toch al bepaald niet koele trein.

We arriveerden wat later in Anduze dan gepland, maar nog ruim op tijd voor het eerste diner. Een robuust uitziend hotel dat zo te zien onder invloed van de Amerikaanse keten was gerenoveerd en meer comfort bood dan het gemiddelde Franse hotel dat je in dit soort gebieden tegenkomt. Een leuk half open terras waar het eten werd opgediend door personeel dat dat niet tot het vaste takenpakket leek te hebben. Blijkbaar waren ze wel geïnstrueerd dat fietsers veel eten, want we konden aangeven of we extra rijst of pasta wilden. Helaas kwam die extra rijst pas nadat iedereen zijn bord leeg had… Maar goed, met perfecte bediening in een mooi hotel zou je je niet in Frankrijk wanen. Mijn kamergenoot werd Evert van Jole, een Zeeuwse Vlaming (of is het Vlaamse Zeeuw?) die sinds kort in Wallonië werkt, maar nog niet echt veel Frans spreekt. Qua fietsen (redelijk bergop, matig bergaf) kwamen we verrassend overeen, hetgeen later in de tijdrit ‘pijnlijk’ duidelijk zou worden…

Top

Etappe 1: Anduze – Pont du Gard – Anduze
Dat vlak een relatief begrip is, was me wel duidelijk, maar dat een vlakke etappe niet gelijk staat aan een makkelijk etappe, werd me wel duidelijk toen we terugreden van Pont du Gard naar Anduze. De glooiingen, de warmte en de wind eisten hun tol en behoorlijk uitgewoond kwam ik terug na deze ‘opwarm-etappe’. Het begon allemaal gemoedelijk in een gesloten peloton over een iets te drukke weg vanuit Anduze in zuid-westelijke richting. Gezien de staat van de wegen, het drukke verkeer en mijn weinige ervaring met in een groep rijden, vond ik het wel prettig om voorin te rijden.

Al kletsende hadden wij echter niet in de gaten dat zich achterin het eerste drama afspeelde. De Volkskrant werd het eerste (en zeker niet het laatste) slachtoffer van een lekke band. Vervelend voor hem zo vroeg in de rit, maar het leverde Bart uiteindelijk wel de nodige stof op voor zijn verslag. Als in een echte ronde werd hij opgewacht door helpers, maar die wisten hem niet tijdig terug te brengen in het peloton, zodat Bart gedesillusioneerd afstapte in Pont du Gard. De heuveltjes onderweg waren te onbeduidend om in Jarich Renema’s zwaarteïndex meegenomen te worden, maar zorgden er wel voor dat de groep uiteen gevallen was. Net toen ik besloot om het laatste stukje naar de lunchplek in eigen tempo af te leggen stoven plotseling Jos en Marieke voorbij, de voormalige ‘helpers’ van Bart.

Hoewel de aanduiding op Michelinkaart 80 deed vermoeden dat het hier om een plaats ging, bleek Pont du Gard toch niets meer (en ook niets minder) te zijn dan een aquaduct uit de Romeinse tijd. Dat klinkt heel oud, maar volgens mij is het dan nog gebouwd na de meeste dorpjes waar we doorheen kwamen. Uit het parkeerterrein met slagbomen, het bezoekerscentrum en de horden schoolreiskinderen leidde ik af dat het hier toch wel om een serieuze attractie ging. De lunch op het nabijgelegen terras was prima verzorgd, al vond ik zelf de kip en rijst een beetje moeilijk weg te pruimen. Uiteindelijk arriveerde iedereen bij de lunch, al dan niet in aangepast tempo of met een aangepaste (lees: langere) route. Voorzien van vers water gingen we van start voor de terugtocht naar Anduze. Het strakke tempo van Giel van Berkel zorgde ervoor dat de groep aan het einde van de N86 uiteen viel. Met het oog op wat er nog komen ging, leek het me niet verstandig om nu al te forceren en reed ik in eigen tempo verder. Samen met Gert en Pieter vervolgde ik onze puzzeltocht door het uitgestrekte landschap.

De paar huisjes onderweg deden vermoeden dat hier mensen woonden, maar die waren in ieder geval niet massaal uitgelopen om de renners te zien passeren. Omdat onze drankvoorraad behoorlijk begon te slinken, vonden we met enige moeite een buurtsuper alwaar cola en water ingeslagen werd. Terug in het hotel was ik zo moe dat ik geen moed meer kon opbrengen voor de frisse duik in het zwembad. Al met al een heftige start. Ik voelde me een Columbiaan die voor de bergritten naar de Tour komt, maar al de vlakke ritten leeggereden is voordat de eerste klim opdoemt.

Top

Etappe 2: Multicollentocht
Hoewel aangekondigd als de 11-collentocht, konden we vandaag het beste spreken van een multicollentocht. Het aantal cols dat ieder van ons beklommen heeft, varieerde nogal. Dat kwam niet alleen doordat er variaties waren in de route en dat een aantal door verkeerd te rijden een bonuscol reed, maar vooral door de klimmen die geen col en de cols die geen klim waren. Kunt u me nog volgen? Het begon al gelijk in Anduze met een klim die niet als col te boek stond, maar toch serieus omhoog ging. Op de Col de Bane sloot ik weer aan bij de kopgroep. In Lasalle had men blijkbaar een waterprobleem, want de brandweer was druk bezig en het stroomde volop door de straten. De uitwerpselen op de weg kondigden het al aan en even later laveerden we door een kudde (makke) schapen. Op de Col de Mercou viel de kopgroep uiteen en pakte Jos de punten voor de bergtrui. Langs de andere kant sleepten zich een aantal Franse fietsers op leeftijd omhoog, sommigen met een shirt van wielerclub Anduze. Ik fantaseerde dat het Kléber, Reilhan en Barthélemy waren.

Bij l’Estrechure was de splitsing voor de lange en de korte route. Met enkelen maakte ik een colastop bij de plaatselijke herberg. Met een flinke vaart passeerden Bertjan van der Veen en Bart Veldkamp het dorp, in achtervolging op Giel, Jos en Frans. Gerrit Slingerland, Arie Kanneworf en Jarich Renema sloten de rij op de lange route. Samen met eendagsvlieg Erwin Warmerdam en Pieter Jukema beklom ik de Col d’ Asclier ‘van de zijkant’. Persoonlijk vond ik dat de lekkerste klim van de hele week: 13 km lang, maar niet al te steil. Eén voor eén ‘raapten’ we de eenzaam ploeterende renners op. Bart omschreef dit in de Volkskrant als “Heeg en Wassenaar peddelden voorbij”. Erwin was een dagje van zijn camping gevlucht en praatte honderduit terwijl hij met de pedalen speelde. Hans Heus stond paraat om foto’s te schieten, maar hij vond dat we te fris waren voor de categorie “Lijden in beeld”. Hoewel bekend was dat de lunchplek in de afdaling van de L’Asclier lag, waren Miel Rozendaal en Marieke daar al bonjourend voorbij gesuisd, om vervolgens weer op hun schreden terug te keren. Ongelooflijk wat de campinggasten van Beau-Rivage daar in het open veld had opgesteld: partytenten, kooktoestellen en zelfs koelkasten. Een voortreffelijke lunch in de vrije natuur, met een kudde schapen en bijzonder grote insecten om ons heen.

We vonden het te gemakkelijk om in de volgende afdaling zomaar twee cols kado te krijgen dat we besloten een bonuscol te nemen. De werkelijkheid was echter minder heroïsch. Bij vuilcontainers linksaf de D290 luidde de instructie. Nu leek het op de kaart alsof die weg een paar kilometer na het gehucht zou beginnen, maar tweemaal een linker afslag met D290 bij vuilcontainers leek ons toch wel erg toevallig. Een enthousiaste hond begeleidde ons bij de klim waarvan de naam me ontschoten is (en die ook niet op de Michelinkaart terug te vinden is). Toen de weg in de afdaling wat minder verhard begon te worden, sloeg de twijfel toch weer toe. Toen Giel en Jos ons tegemoet kwamen, wisten we zeker dat de weg doodliep, dus wij weer terug. De hond kreeg het inmiddels wel zwaar in de afdaling en had ook gediskwalificeerd moeten worden voor het afwijken van de rechte lijn. Maar hij was weer uitgelaten, wij hadden een kilometer of 10 extra en Marieke had weer stof voor haar column.

De klim op de volgende D290 vond ik een draak. Het was inmiddels bloedheet en de weg ging ongelijkmatig omhoog. De volgende col, ik was inmiddels de tel allang kwijt, was weer een makkie, ook omdat we een rijdende fotosessie deden met Hans Heus op de fietsdrager van Pascal´s auto. Na Lasalle werd het vlak en dalend richting Anduze, voor mijn ploeggenoten het teken om het grote blad te schakelen. Mijn ‘werk’ zat erop en ik besloot in eigen tempo verder te gaan, ruim op tijd binnen om in etappe 3 van start te mogen gaan…

Ik had zelfs tijd en fut over om hardlopend (nou ja, het mocht die naam niet echt hebben) naar Anduze te gaan voor een paar boodschappen en daarna nog te zwemmen. Na deze alternatieve triathlon bleek Tim Krabbé gearriveerd te zijn in het hotel. Na het diner begon de mentale voorbereiding op de klimtijdrit. Tim droeg, gestoken in het fraaie RvTK 2003 wielershirt, zijn Col d’Uglas epos voor uit de bundel “43 Wielerverhalen”. Hoewel resultaten uit het verleden geen garantie geven voor de toekomst, daagde hij ieder uit om een voorspelling te doen. Hijzelf dacht dat met name Bart Veldkamp toch flink onder zijn toptijd van 14.56 zou moeten kunnen duiken. De meesten gingen daarin mee, maar opvallend genoeg hielden de schaatsers zelf een beetje de boot af en voorspelden juist langzamere tijden.

Top

Etappe 3: Tijdrit op de Col d´Uglas
Toen om 7 uur de wekker ging hoorde ik buiten al gestommel. Marieke was al bezig haar fiets te poetsen en smeren voor extra tijdwinst, geamuseerd gadegeslagen door Jos die deze week juist bewees dat het materiaal er eigenlijk toch niet veel toe doet. Remkabels boven het stuur en toeclips maken niet echt het verschil, al vond Jos toch eigenlijk wel dat hij zijn fiets uit de tijd van Tim Krabbé moest gaan inruilen. Hij moest zo onderhand naar het fietsmuseum voor onderdelen.

Iedereen had toch wel een beetje de kriebels, want voor het oog van de meester wilden we laten zien dat we toch wel een stukje bergop konden fietsen. Er werd driftig gerekend welke gemiddelde op een klim van 5,6 km lengte en een gemiddelde stijging van 5,7% mogelijk zou moeten zijn en welke tijd daar dan bij hoorde. Niet onbelangrijk bij de voorbeschouwing was de keuze voor het verzet. Het leek me van weinig ambitie getuigen om op het kleinste blad van de triple te starten, maar ik was er niet helemaal gerust op dat het middelste blad zou kunnen rondtrappen.

Gerrit Slingerland ondervond dat het lastig is om stellige uitspraken te doen over vertrektijden, want ineens bleek een aantal fietsen niet bestand te zijn tegen de tijdritstress. Terwijl Bart Veldkamp naar een oplossing zocht voor zijn afgebroken zadelpen bezweek Gerrit’s band ook aan de druk. Met Gerrit, maar zonder Bart ging de meute van start. De eerste 17 kilometer naar de start van de tijdrit werd gezamenlijk afgelegd, hoewel dat niet altijd garantie was voor een rustig tempo. Maar de toch al wat vermoeide spieren werden weer een beetje wakker en opgewarmd. Gekomen bij de afslag D160 stopte de karavaan en werden we opgesteld voor de start. Op tijd aan de start verschijnen bleek niet alleen in het professionele wielrennen een lastige opgave te zijn. Meindert startte als eerste en door het afhaken van Jeanne en Hans Heus, die bang was dat hij boven alleen nog maar foto´s zou kunnen maken van uithijgende renners, ging ik anderhalve minuut later als tweede van start.

Na een ferme duw van Tim begon ik met een snelheid net boven de 20 km/u. Na ruim een kilometer bleek het verzet toch iets te hoog gegrepen te zijn en schakelde ik terug naar het kleinste verzet op het middenblad (ben niet zo goed in de tandwielverhoudingen) en dat kon ik tot boven handhaven. Ik groette Meindert bij het passeren. Halverwege stonden een paar huisjes en daar leek het iets minder steil te zijn, maar de ademhaling bleef heftig. Ik dacht aan de woorden van Pascal, dat een tijdrit nooit lekker mag gaan. Volgens mij verdraaide hij dat, want als het niet lekker gaat is dat volgens mij nog geen garantie dat het wél goed zou gaan. Ik had me voorgenomen om de laatste 500 meter bij te schakelen en aan te zetten, maar toen ik de finish zag was er nog maar 100 meter te gaan. Nadeel van mijn vroege start was dat ik na Meindert niemand meer had om me op te richten. Voordeel was dat ik mijn fototoestel uit de auto kon halen en de finish van de anderen kon vastleggen. Alleen niet van mijn ‘slapie’ Evert, want die kwam wel erg vlot achter me binnen.

Het veld was zodanig door elkaar geschud op de flanken van de Uglas dat de jury aankomst de nodige moeite had om de snel achter elkaar finishende renners de juiste tijden te geven. Het was wel duidelijk dat Bertjan de snelste was geweest, maar zijn exacte tijd bleef geheim tot de prijsuitreiking ’s avonds in het hotel. Het mysterie werd nog extra versterkt doordat Bart Veldkamp aan het einde van de middag alsnog de tijdrit reed en zijn resultaat bij slechts enkelen bekend was.

Bart Jungmann en Marieke Jansz gebruikten journalistieke argumenten om na de tijdrit direct terug te rijden naar het hotel, anderen gaven gewoon eerlijk toe dat ze wel wat rust konden gebruiken. De dapperen vervolgden hun weg via een mooie lange afdaling en een lange hete klim naar de lunchplek bovenop de Col de la Baraque. Getuige de aanwezige bejaardendisco (was ik zo diep gegaan of klonk er echt een kerstliedje toen ik aan kwam fietsen?) en het niet werkende sanitair stond daar de tijd al enige decennia stil. Ondanks herhaalde verzoeken van de organisatie bleek men ook niet in staat om de lunch binnen 2½ uur op te dienen. Het was een mooie rustige locatie (tweemaal oorverdovend verstoord door een laag overvliegende Mirage), de lunch was ook prima, maar het had van ons een uurtje vlotter gemogen.

Top

Het voordeel van een laaggelegen plaats als Anduze (131 meter) is dat je nooit hoeft te klimmen in het slot van de rit. Ook nu hadden we na de lunch nog wat hoogtemeters te overbruggen (o.a. de Col de Pendédis met een fraai uitzicht), maar daarna was het voornamelijk (licht) dalend terug richting St. Jean-du-Gard en Anduze. Zolang klimmen en dalen elkaar vlot afwisselden kwam ik Frans van Cappelle geregeld tegen. In de klim passeerde ik hem vaak, maar in de afdaling had hij me meestal zo weer te pakken. Aan zijn klepperende remgrepen hoorde ik dat hij er aan kwam.

Terwijl ik in St. Jean een koud blikje cola aan het kopen was, zag ik een toch vrij uniek tafereel. Jarich, die ik er persoonlijk van verdenk dat hij de Michelinkaarten zelf getekend heeft, reed namelijk fout, terwijl er notabene een routepijl voor zijn snufferd stond. Zijn geluk was dat er twee bruggen dicht bij elkaar lagen, maar de fout is onvergeeflijk! Na die bruggen had Gerrit nog een aardige toegift in petto in de vorm van een ‘veldritparcours’. Een semi-verharde weg met rare bochten, steil klimmen en dalen en oversteekjes, die Pieter Jukema zijn binnen- en buitenband kostte.

Na het diner volgde de prijsuitreiking van de klimtijdrit. Tim bouwde de spanning op door de uitslag van achter naar voren op te lezen. Cijferfreak als hij is, misbruikte hij zijn dichterlijke vrijheid door Jarich’s tijd zodanig te corrigeren dat het precies zijn geboortejaar werd. Wat ik al vermoedde kwam uit. Mijn kamergenoot Evert had zich tot aan de tijdrit mooi weggestoken (ik verdenk hem ervan dat die stuurtas gewoon leeg was!) en had toegeslagen op het juiste moment. Met 18.10 was hij 7 seconden sneller dan ik en dat leverde hem de 3e prijs bij de amateurs op. Ietwat verrassend vond ik het dat Jos Odekerken – die met de fiets van Jan Jansen en de stijl van Anquetil – niet de snelste bleek te zijn en zelfs 16 seconden toegegeven had op Giel van Berkel.

Benieuwd was iedereen naar de verrichtingen van onze ‘professionals’. Dat Bertjan en Miel ruim sneller boven waren dan wij, was niet zo’n verrassing, maar dat Bart Veldkamp niet sneller was dan zijn collega-schaatsers had eigenlijk niemand verwacht. Volgens ooggetuigen vertrok hij op het grote voorblad en dat lijkt me persoonlijk een keuze waarvoor Bernard Hinault nog bleek om de neus van zou worden. Gevolg was natuurlijk een fors tijdverlies in het tweede deel van de klim. Ik had persoonlijk graag willen zien of hij boven a la Bjarne Riis het onderdeel fietswerpen zou introduceren, maar daarvan zijn geen bewijzen. In ieder geval was hij de volgende dag snel vertrokken, maar dat had officieel een andere reden.

Uitslag klimtijdrit Col d’Uglas, 12 juni 2003

Categorie Amateurs
1. Giel van Berkel 17.10
2. Jos Odekerken 17.26
3. Evert van Jole 18.10
4. Erik van Leeuwen 18.17
5. Marieke Jansz 18.38
6. Jan Hoogsteen 19.40
7. Jarich Renema 19.51
8. Frans van Cappelle 20.10
9. Pieter Jukema 20.11
10. Mark Bakker 20.26
11. Philip Maes 21.29
12. Joep Jagtman 22.44
13. Bart Jungmann 22.53
14. Gert Spijker 24.12
15. Arie Kanneworff 24.29
16. Wilko Apperloo 26.28
17. Meindert Brugman 27.59

Categorie Professionals
1. Bertjan van der Veen 14.39
2. Miel Rozendaal 15.42
3. Bart Veldkamp 15.44

Top

Etappe 4: Anduze – Le Rozier
Dus zo voelt een sprinter zich na twee weken Tour met nog drie Alpenetappes te gaan. Hoewel ik altijd vroeg opsta, hebben het hoofd en de bovenbenen er vandaag niet meteen zin in. En waar ik er thuis moeiteloos 4 of 5 boterhammen inprop, beginnen nu zelfs die Franse broodjes me tegen te staan. Maar ik verman me (hoe doen vrouwen dat eigenlijk?) en sta toch weer opgeruimd en ingepakt aan de start van de verplaatsingsetappe. We namen afscheid van Anduze en reden in de richting van St. Jean-du-Gard. Het peloton had er duidelijk zin in, want direct na het vertrek werd er gevlamd als in een amateurkoers. Zelfs Jos – die ik ondanks zijn verlies in de tijdrit nog altijd beschouwde als ‘de gele trui’ – liet zich verrassen. Met hulp van Bertjan sloot ik weer aan bij de groep, kort voordat de weg omhoog begon te lopen.

De Corniche des Cévennes is een bergrug dwars door het landschap. Voor ons betekende dat klimmen in etappes met tussendoor wat vlakke stukken en korte afdalingen. De eerste lange klim legde ik samen af met Mark, Marieke en een paar honderd vliegen. Achteraf bleek dat we iets te vroeg voorbij de Col de l’Exil waren gekomen en daardoor Kees van Kooten waren misgelopen. Tim Krabbé, die in de Mercedes cabrio van onze Belg Philip rondgereden werd als een echte koersdirecteur, kon nog wel zijn schrjivende collega de hand schudden. Ondertussen worstelden wij ons omhoog bij Le Pompidou waar de weg ineens heel steil omhoog ging. Daar sloeg het noodlot toe voor Jos, die na een versnelling uit de kopgroep, met bandenpech te maken kreeg. Toen ook zijn reserveband stuk ging, zat er niets anders op dan te plakken, maar ook dat bracht de Limburger niet van zijn stuk.

Op 1000 meter hoogte was het beduidend minder warm, maar toch besloten Mark en ik om een stukje af te snijden via een steile afdaling naar Vebron. De lunch in Les Vanels was super qua opzet en samenstelling. Dit Belgisch echtpaar had duidelijk wel begrepen waar hongerige maar toch enigszins gehaaste fietsers op zitten te wachten: een uitgebreid buffet. Mark wachtte tevergeefs op zijn cameraploeg, die met kapotte auto ondervonden hoe dunbevolkt en GSM-gedekt deze streek is.

Omdat mijn zitvlak en rug alweer duidelijke (pijn)signalen afgaven, besloot ik ook na de lunch de kortere route te nemen, zodat de dagafstand ongeveer 100 kilometer zou worden. De iets langere route bleek niet zoveel makkelijker te zijn als Pascal ons had doen willen geloven. Met een volle maag beklom ik de Col de Perjuret, de paprika uit de soep liet af en toe van zich horen. De afdaling naar Meyrueis en daarna door de Gorges de la Jonte naar Le Rozier was vooral warm. De banden plakten vast aan het gesmolten asfalt, de rotsen voelden aan als een steengrill. Hier ergens, zo leerden wij van Tim Krabbé, eindigde de wielercarrière van Roger Rivière in de Tour van 1960. De hoteleigenaar in Le Rozier, die vooral uitblonk door bibberend en nietszeggend het eten rond te brengen, wist nog te vertellen dat hij zijn laatste nacht als wielrenner had doorgebracht in ons hotel. Een historisch feit dat we ter kennisgeving aannamen.

Grand Hotel de la Muse en du Rozier was nog een tikje luxer dan Les Acacias in Anduze. Misschien staken die luidruchtige wielrenners wat af tegen het vooral deftige publiek op leeftijd, maar ik vond het wel prettig om een goede kamer en een mooi zwembad te hebben. De avond werd afgesloten met Tim’s voorbeschouwing op de dag van morgen door middel van anekdotes uit en om De Renner. Hierbij deed zich een opmerkelijk incident voor. Net toen Tim verteld had dat zijn uitspraak “we spreken af dat jij eerste wordt van de wieltjeszuigers” zijn originele vorm van schelden was op een niet-werkwillige renner, betuigde een Duitse hotelgaste minder tact door ons luid duidelijk te maken dat ze last had van ons. We verkasten naar binnen en Tim signeerde de fraaie gebonden exemplaren van De Renner die we van de organisatie gekregen hadden.

Top

Etappe 5: Ronde van de Mont Aigoual
Na 10 kilometer praktisch vlak begon in Les Vignes het klimwerk gelijk goed met de Col de Rieisse, ofwel de klim naar de Causse Méjean. Nog voor de eerste van vele haarspeldbochten plaatste Marieke een journalistiek verantwoorde demarrage. Er volgde direct reactie en ‘het spel was op de wagen’, om nog maar eens een wielercliché uit de kast te halen. Vooral Miel Rozendaal had er vandaag zin in. Bertjan van der Veen reed meer als een toerist naar boven, en ik pufte in zijn achterwiel. De haarspelden in de schaduw maakten plaats voor een golvende hoogvlakte en de zon. Ik had wat voorsprong op mijn vaste strijdmakkers en benutte die om mijn benen een beetje rust te geven. Op het grote blad kwam Marieke alweer langs stuiven en met een klein spurtje sloot ik bij haar aan. Het landschap leek ineens op een Nederlandse polder met een bomenlaan en een klaprozenveld. Even later waande ik me op een Amerikaanse prairie en verwachtte elk moment een ranch te zien. Die was er niet, er was helemaal weinig vee te zien. Wel passeerden we een vervaagde streep die duidde op een premiesprint. We hebben er niet om gesprint. De camerawagen met Tim aan boord reed naast ons. Ik ben benieuwd of dit fraaie stukje in hun film terecht zal komen.

De afdaling naar Meyrueis was super met mooi asfalt en flauwe bochten. Voor mijn gevoel daalden we snel, maar het stoomtreintje van Jan, Frans en Mark streek toch weer op ons neer. Dat de bergen hier omgekeerd in het landschap liggen, en de vlakke stukken dus niet in het dal maar op de hoogvlakten liggen, zoals Tim treffend beschrijft, merkten we doordat we direct aan de volgende klim begonnen. Op zich niet zo lastig, maar warmte en inspanning begonnen wel mee te wegen. Via een paar glooiingen bereikten we Lanuéjols, de lunchplek voor vandaag. Gevoed met salade en kip met pasta vervolgden we met vijven onze weg naar Trèves. Daar was door een wegverzakking een alternatieve route noodzakelijk en dat hebben we geweten. Terwijl temperaturen richting 40 gingen, zwoegden wij omhoog in een totaal verlaten gebied op een weg waar geen einde aan leek te komen. Een fris beekje en Pascal en Gerrit met extra water zorgden ervoor dat mijn negatieve gedachten even verdreven werden.

De kilometerteller ging alweer richting de 100 en mijn kaarsje ging langzaam uit. Mijn metgezellen moest ik laten gaan. Marieke reed ook weer als een duivel. Hoewel ze het ook zwaar had in de klim, schakelde ze bij zodra het even kan en gooide ze het tempo weer omhoog. Ik reed in eigen tempo verder naar de top van de Mont Aigoual. De laatste 13 kilometer waren niet steil, de weg was breed, ik rook dennengeur, de temperatuur begon zelfs weer aangenaam te worden, maar ik zag zwarte sneeuw. Ik was blijkbaar de enige want de skistations waren verlaten. Om exact drie uur kwam ik boven op het dak van de Ronde. Ik besloot het weerstation rechts te laten liggen. Mijn zwakke excuus was dat het niet in de officiele route zat en er was niemand om dit te weerleggen en dus stortte ik me in de heerlijke afdaling. Normaal niet echt mijn pakkie aan, maar op zo’n superbaan durft zelfs een Columbiaan zich te laten gaan (ik ga er zelfs van rijmen). De vele insecten botsten als steentjes met 70 km/u tegen mijn helm, bril en gezicht.

Via de Col de Perjuret ging het terug naar Meyrueis, dezelfde laatste 30 km als in etappe 4. Op papier een makkelijk slot, maar met een uitgeput lichaam, een pijnlijke rug en dito zitvlak is zelfs een afdaling op hobbelig asfalt nog een hele klus. Omdat ik sinds Trèves geen zinnige ziel meer gezien had en er nog 20 km te gaan waren, trakteerde ik mezelf in Meyrueis – waar om mij onbekende reden sirenes klonken - op een koude Orangina en liet de bidon vullen. Samen met Evert bereikte ik Le Rozier, waar ik in de buurtsuper een fles drinkyoghurt scoorde. Daarmee kon ik de energie aanvullen, anders zou ik voor het diner van mijn stokje zijn gegaan. Het slotdiner had weer de nodige culinaire verrassingen in petto. Nadat de fietsen weer in Cor’s bus geladen waren, blikten we met Tim terug op een zeer vermoeiende maar erg geslaagde vijfdaagse wielerronde in de Cévennen.

Top

Terugreis
Toen ik ergens heel vroeg een grote bons en een luid “TIM” hoorde, begreep ik al dat de maestro met grove middelen gewekt werd om zijn vroege vlucht terug naar huis te halen. Nadat wij afscheid genomen hadden van de autoreizigers bracht een zeer luidruchtig busje ons naar Montpellier. Met zo’n busje is dat nog een heel eind, maar het landschap was indrukwekkend. Het was opvallend fris en het regende zelfs af en toe, maar in Montpellier was het alweer flink benauwd. Erg handig dat de bagagekluisjes op het station op zondag gesloten waren, dus stapelden we onze tassen maar op een terras op en zochten we de laatste franse lunch op. Tussen de drukke menigte zelfs militairen met mitrailleur, maar zonder al te veel problemen vinden we onze trein. Hoewel niet helemaal zoals op de ticket vermeld vonden we wel allemaal een zitplaats. De vermoeidheid van een week fietsen deed zich voelen, want knikkebollend raasden we door het landschap.

Ongeveer op schema kwamen we in Brussel, waar we slechts 10 minuten dachten te hebben om over te stappen. Gehaaste toeristen met veel bagage bleken een grote aantrekkingskracht te hebben op lieden met verkeerde bedoelingen. Jarich bemerkte de hand op zijn portemonnee en waarschuwde ons snel. Vervolgens vertrok de trein natuurlijk 10 minuten te laat, zonder onze zakkenrollende vriend overigens. Om kwart voor 12 kwamen we op Schiphol aan waar Cor al klaarstond met onze fietsen. Tijd om afscheid te nemen en laatste etappe naar huis en bed te doen.

Top

Terugblik
Tot zover het relaas van een bijzonder heet, bijzonder vermoeiend, maar wat mij betreft bijzonder geslaagde eerste editie van de Ronde van Tim Krabbé. Natuurlijk waren er puntjes voor verbetering vatbaar, maar die heeft de organisatie zelf ongetwijfeld al genoteerd voor de volgende editie die er zeker gaat komen. Met al die aandacht in de pers moet het zeker lukken om een flinke groep fietsfanaten te interesseren. Of ik daar zelf ook weer bij zal zijn, weet ik nog niet. Zo ver vooruit gaat mijn planning nog niet. Inmiddels heb ik het hardlopen alweer opgepakt en dat viel niet eens helemaal tegen na zoveel dagen verkeerde beenspieroefeningen. En wat ik niet verwacht had, het ging dit weekend toch weer kriebelen, en ik ben een rondje wezen fietsen. In Tim Krabbé-shirt natuurlijk!

Ik ben wel blij dat ik geen krantenredactie heb die me een maximum aantal woorden oplegt, want het verhaal is wel langer geworden dan ik had verwacht.

 

terug verslag Ronde van Tim Krabbé 2003