De Ronde van Tim Krabbé Fiets en Beleving

Ronde van Tim Krabbé 2003

door Jarich Renema, 2003

Verslag op basis van de niet-geschreven notities uit het Lief Dagboek.

Het notitieboekje was dik genoeg, daar lag het niet aan. Maar de week zat zo vol met fietsen en (andere) gezelligheid dat er van notities maken weinig kwam. Het verslag komt dan ook voornamelijk uit het geheugen. Deels na enkele dagen, doch het bijschaven duurde tot het einde van de tweede week van de nieuwe jaartelling: de tweede week na de Ronde van Tim Krabbé en de eindredactie is zelfs van maanden later.

Maandag 9 juni.
De Reis Bert, mijn buurman, bracht me met mijn eigen autootje naar Schiphol-plaza, waar het kennismaken begon. Vervolgens het inladen van de fietsen in het door Cor Verhoef gereden busje. Brigitte Wakker, onze uitstekende reisleidster zorgde voor àlles. Ik zeg alleen maar niet dat ze als een kloek over haar kuikens waakte omdat ze in niks aan kloek doet denken. Rustige treinreis naar Brussel, net als die per TGV naar Lille. Daarna stroomde de trein vol. Meer dan vol. Vanaf Lyon was het aantal gangpadpassagiers ongeveer even groot als het aantal met een reguliere zitplaats. Vermoedelijk door de stakingen wegens de bedreigde pensioenen. Er werd dan ook omgeroepen dat de trein uit veiligheidsoverwegingen niet harder mocht dan 220 km/u. We waren dan in Nimes ook een uur te laat. Weerzien met Gerrit, met wie ik in het verleden duizenden kilometers heb gefietst! Hij reed de laatste van de drie Espaces die ons naar Anduze moesten brengen, die met opschrift Bart.Veldkamp@avantage.nl. Omdat de eerste ergens in de stad door oranje reed en de tweede door rood, raakten wij ze kwijt. Al gauw Brigitte aan de telefoon, doch Gerrit stelde haar gerust: wij vinden het wel. Meteen daarna ging het dan ook behoorlijk verkeerd! De belangrijkste les die we al dwalend leerden is dat je naar Alès vragend niet "Alè" moet zeggen, doch de "S" zeer duidelijk moet uitspreken. Onderweg wees Gerrit, die bijna even Cévennofiel is als Tim, ons tot hoe ver het dal vol had gestaan bij de overstromingen van vorig jaar. In hotel Les Acacias ontmoetten we de doe-het-zelvers, die met hun auto naar Anduze waren gekomen. Het duurde wel een etmaal voor ik ook die namen allemaal kende.

Naar boven

Dinsdag 10 juni.
Pont du Gard. Op naar Pont du Gard, niet een stad, zoals de grootte van de letters op de kaart doet vermoeden, doch een Romeins aquaduct en dan ook een toeristische kermis. Bertjan van der Veen, de marathonkampioen schaatsen, viel me op als een heel sociale fietser. Hij was een van de weinigen die de route op zijn kaart intekende en deze dus vervolgens ook nauwelijks behoefde te raadplegen. Daarbij wilde hij zijn groepjes altijd bij elkaar houden. Zou dat komen omdat die maratonschaatsers altijd denken in termen van ploegbelangen? Aan lange lunchpauzes hadden de schaatsers echter een broertje dood, want van rusten word je zo moe. Gauw verder, want ze hadden "thuis" nog wat te doen. Of dat krachttraining was of luieren onttrok zich dan aan onze waarneming. Ik zat lang bij de toptien, doch mijn plaats in dat gezelschap werd al gauw ingenomen door een meisje in een lichtblauw shirtje, dat we eerst gelost hadden. Dat bleek dan Marieke Jansz te zijn, columniste van het AD, die helemaal niet gelost was, doch heel sociaal bij de eerste lekke band achterbleef. Ik heb die groep laten gaan, omdat ik foto's wilde maken. Ik ben fietstoerist en heb altijd de camera bij me, inmiddels een handzame digitale. Je moet toch ergens mee opvallen, bovendien, de lunch is nabij.
Die lunch te Pont du Gard was geweldig, en dat zou elke dag opnieuw zo blijken te zijn. We hebben geweten waar we voor betaald hadden! Na de lunch probeerde ik op mijn toerfietsersmanier een goede knecht te zijn door in een schappelijk tempo op de valsplatte Route Nationale noordwaarts kop te doen, doch van Giel van Berkel moest het blijkbaar harder en net voor Pouzilhac fietste Frans van Cappelle weg, die genadeloze stoemper. Giel volgde en Marieke sprong mee. Het spel op de wagen, heet dat. Zo leerde deze jongen gauw dat we hier geen toerfietsers waren, want die fietsen met elkaar; neen, hier fietsten we tegen elkaar. Nou, ja, bedacht ik, het ontheft je ook van een boel verantwoordelijkheid voor elkaar; laat ik me maar weer als toerist gaan gedragen. Nog lang zag ik ze voor me rijden, die vijf met Jan Hoogsteen en Jos Odekerken erbij. Ik bleek al gauw een schaduw te hebben, doch ik had pas tien kilometer verder het benul achterom te kijken en herkende hem toen als Pieter Jukema, die goed kan aanklampen. Plotseling hadden we de vijf weer te pakken toen ze in St. Quintin-la-Potèrie ronddwaalden op zoek naar de route. Met mijn kaartje zag ik al gauw hoe het wel moest, doch verderop westwaarts gingen ze onder impuls van Frans en Giel weer zo hard dat ik ze maar weer liet gaan. Jan probeerde nog lang de vijfde man van dat groepje te worden, maar liet zich uiteindelijk afzakken. Samen zijn we naar Anduze gefietst, waar Jan zei dat hij het helemaal gehad had. Je moet mensen nooit helemaal geloven, want had je hem de latere dagen moeten zien fietsen. Het napraten (bij schaakpartijen heet dat wel "post mortem") wees uit dat Giel en Frans als eersten waren aangekomen, volgens mij omdat Marieke ze heel tactisch had laten gaan en Jos dan gewoon een galante metgezel is. Overigens moest Marieke meteen aan haar notebook voor het stukje in het AD, terwijl ze liever met de anderen het zwembad in was gedoken. Waarom Jan, anders dan in het stuk voor de lunch, niet meer naar zijn Jeanne had omgekeken? Ach, hij had inmiddels ontdekt dat zij onder de hoede van Evert van Jole niet verloren kon geraken. Evert heeft een stuurtas met kaart en routebeschrijving, en gebruikt die ook. Van de anderen meen ik te weten ik dat Bart Jungman vanaf Pont du Gard onder het aanvoeren van journalistieke argumenten autovervoer afdwong en dat Gerrit met Meindert Brugman de korte route over Uzès ging rijden, nadat ook hij zijn pedalen had gemonteerd. Voordien was hij uitpijler per auto. We zijn deze twee ergens bij Gattigues nog achterop gekomen. Gerrit heeft overigens nog hetzelfde pompje van vroeger, toen ik diverse Rondes van Nederland met hem fietste, dat pompje waarop een bel is gemonteerd. Hij kon desgewenst met zijn linkerkuit bellen! Evert, de begeleider van Jeanne, vond een rustiger route, waarin ik pas bij het maken van mijn verslag een tegengesteld stuk route van de 100-cols tocht herkende. Die tocht heb ik nota bene drie keer gereden. Meindert kwam uiteindelijk per auto in Anduze aan, want het "vlakke" parcours had hem wel wat gesloopt. Dat heeft hem niet weerhouden van de topprestaties op de volgende dagen.

Naar boven

Woensdag 11 juni.
Elf(?)collentocht. Gerrit stelde voor dat wij samen de achterwacht van de lange route zouden vormen. Zodoende deed ik wat Marieke in haar AD-stukje voor zichzelf had aangekondigd: de achterkant van het peloton bekijken. Wat Marieke zelf deed was heel lang niet duidelijk. Gerrit moest als Anduze-kenner eerst aan Cor in de bezemwagen even de weg naar de winkel wijzen, want er moest fruit en vooral veel water worden ingeslagen. Het was gisteren gloeiend heet: plassen teer en zo. Toen ik, met foto's maken als alibi, Gerrit had opgewacht, had ik inmiddels een goed idee gekregen van de rangorde in het achterland. Toen wij ons ergens bij de Col de Bane op een kudde schapen vastliepen hadden we een handjevol deelnemers achter ons, waaronder Meindert, die een eigen route zou rijden. Samen met Gert, die zojuist de schapenkudde had gefotografeerd, roeiden we in navolging van Bart Jungman voorzichtig door de schapenstroom. Bij het naderen van Lasalle lokte ik Gerrit mee op het ooit door wijlen mijn egaa ontdekte binnenweggetje van de camping naar het dorp, waar ik hem al over verteld had. We moesten daarbij wel even opletten, want Bart en Gert zagen ons afslaan en volgden ons slaafs; de toerleider zou immers wel weten waar hij langs moest. Het weggetje was er overigens niet beter op geworden: alles slijt, huilen hoeft niet meer. Op de Col de Mercou een kleine bevoorrading en koppen tellen. Jan Hoogsteen kwamen we net tegen, op zoek naar Jeanne, achter ons. Zij zou later met een zere knie instappen, Jan daarmee bevrijdend, want die wilde zich eigenlijk wel graag aan het front manifesteren. Dat zal wel de bron zijn van Bart's beschrijving in zijn krant dat Walick Riethoven verontwaardigd wegvlindert van de Volkskrant, die zijn wiel tracht te houden. We weten inmiddels wie de lange route zullen rijden. Marieke ook, zegt ze nog. Op het bruggetje na de afdaling, vlak voor l'Estréchure, is het een twijfelen van belang. De korte afstand moet meteen omhoog naar de Asclier, de lange moet nog een heel eind het rivierdal volgen voordat het via de Col de l'Espinas en nog enige col-bordjes zonder klim ook de Asclier op gaat. Ik beduid Marieke nog dat ze het bruggetje over moet en ze zegt ja, maar doet uiteindelijk nee. Zal ze ook wel weer journalistieke argumenten voor hebben. Bij het cafeetje in l'Estréchure waar een heel groepje mensen water getankt heeft (die hadden Cor op de Mercou gemist) pikten we nog Arie op, de veerbootkapitein, die het meer en meer te kwaad kreeg met zijn waterhuishouding. Hij dronk uiteindelijk per vijf kilometer zowat een bidon leeg en kreeg desondanks last van kramp. Later hebben ze hem zouttabletten gegeven; toen was het euvel verholpen. Vanaf dit moment waren we met z'n drieën: Gerrit, Arie en ik. Op de Espinas weer verzamelen, in Les Plantiers nog een korte water-en-gebak-stop. Op de Asclier gekomen moest ik maar doorrijden, zei Gerrit; de lunch is drie kilometers dalens verder, op de Col de Bès. Ik reed die plek dan ook zowat voorbij, want die twee partytenten met onbekenden daaronder oogden als een lokaal familiefeestje. Als er nou nog wat fietsen hadden gestaan, maar de rijders voor ons waren allemaal al weg.
Gelukkig zag ik net op tijd Brigitte en Jeanne in de achterste tent wijzen waar de doorgang naar het weitje, anders was me het lot beschoren geweest van Miel en Marieke, de koplopers die eerder onder dezelfde omstandigheden drie kilometer waren dóórgedaald naar de Col de la Triballe tot ze aan de wegwijzer aldaar zagen dat ze iets lekkers aan het missen waren. Even later arriveerden Arie en Gerrit, welke laatste nog even lek was gereden. De reparatiepoging door Pascal luidde het einde in van het roemruchte bel-pompje. Die reparatiepoging was niet eens geslaagd te noemen, want al gauw na de lunch bleek dat Gerrit in de afdaling niet aan Arie's wiel had gezeten, zoals ik meende. Ongerust ging ik de gelukkig niet zo steile helling weer op. Na enkele kilometers de opluchting van de ontmoeting. Hij lag toch niet ergens onder in de bosjes, maar de band was opnieuw geklapt en nu was de vraag of ik een goede pomp had, want in zijn frustratie had Gerrit zijn pompje definitief geknakt. Een monument was van ons heengegaan. Gaandeweg leerde ik dat ik in de klim bij Gerrit moest blijven om de wachttijd wegens demoralisatie niet onnodig te verlengen. Ik hield hem voor dat afzien fijn is. En wat vond hij het fijn! Zo fijn dat hij in Colognac nog een leuk terrasje wist. Het werd de steilste helling van de dag, maar die tent was gesloten. Zo moest Arie zich behelpen met de kraan van het municipaal toilet. Daarna was het lekker afdalen naar Lasalle. Toen er in de weg naar Anduze nog enkele stukken vals plat zaten was de pijp van Gerrit allang leeg en heeft Arie eerst aarzelend, doch met allengs meer overtuiging zijn tocht naar de eindstreep solo voortgezet. Toen ik een aankondigingbord van ons hotel citeerde: "nog twee minuten", had Gerrit nog wel de kracht om te riposteren dat ik dan wel verdomd hard moest fietsen. Inderdaad, ik ben geen auto. Nou, wij kwamen er tòch, en toen was er het zwembad.
Maar wat kan die Gerrit nog steeds afzien. Ach, ik wist allang dat hij nooit vooraf traint, maar uitsluitend tijdens een tocht! Moet je hem morgen of overmorgen eens zien fietsen. Inmiddels was Tim Krabbé afgehaald van het vliegveld, en konden de avondlijke Tim-sessies beginnen. Hoofdonderwerp was vandaag natuurlijk de Col d'Uglas, van de tijdrit van morgen. We moesten allemaal onze voorspelling van de winnende tijd inleveren. Heel onthullend, want het resultaat zegt niets over de deelnemers en alles over de voorspellers! Deze dag deed ook mee Erwin Warmerdam, een Gerrit bekende campinghouder uit deze streek die zich een dag kon vrijmaken. Hij heeft dan ook een goede kijk op Frankrijk en de Fransen en zette de hotelpersoneelsleden eventjes gevoelig op hun nummer toen ze alleen nog maar warme pils wisten te leveren. Voorraadbewaking is ook verschrikkelijk moeilijk! In rad Frans legde hij ze uit dat we voor de prijs van 3 euro per flesje wel wat meer service mocht verwachten. Prompt kwamen de champagnekoelers met ijs op tafel. De namen Warmerdam en Van Warmerdam, zo hoorde ik, zijn afgeleid van Warmonderdam, een historische locatie nabij Warmond. Zo mag ik het horen, ik ben niet voor niets een genealoog die ook nog eens liefhebberij heeft in geschiedenis en topografie. Er voegde zich inmiddels nog een drietal mensen bij onze karavaan. Mark Bakker had al dromend van het maken van een mooie filmdocumentaire van zijn laatste centen goede apparatuur gehuurd en zou zelf meefietsen met een vingercamera op zijn helm. Zijn maten Roel en Sandder reden met het grotere materiaal in zijn wrakke Japanse auto. Een betere kar zat er niet aan, zei hij, want het geld was op. Nou, dat zouden ze nog weten!

Naar boven

Donderdag 12 juni.
Col d'Uglas en verder. De dag van de tijdrit. Allerlei mensen gespannen. Ons allen was goed aangezegd dat we tijdig klaar moesten staan voor de gezamenlijke aanloop naar de startstreep. Toch ging het mis. Bart Veldkamp, die de vorige dagen al zo'n gekraak had gehoorde in zijn frame had zojuist zijn zadel inclusief halve zadelpen in handen gehouden. Dikke mazzel dat de breuk zich niet manifesteerde tijdens een afdaling. Vette pech dat we te weinig tijd hadden voor reparatie, want zo'n uitdaging had ik graag aangenomen. Dus zonder Bart in colonne naar de voet van d'Uglas. Tijdrit. Timzelf duwde de deelnemers af. Ik had besloten op het middenblad, 40 (ja, de ouwe heeft een triple), te starten. Terwijl ik wegsnelde zag ik dat ik mijn teller nog niet op nul had gezet. Dat moest alsnog. Even later al merkte ik dat ik te snel gestart was en in paniek schakelde ik dan maar van 20 naar 21. Had ik niet moeten doen; even doorbijten had me een betere tijd opgeleverd. Nou, ja, volgend jaar dan maar. Toen ik later even naar 14 km/u teruggezakte berekende ik dat ik zo zelfs de boven de twintig minuten zou komen, en dat was me te min. In het gehucht halverwege, waar het iets vlakker is, kwam er weer wat snelheid in en toen ik enkele mensen voor mij in zicht kreeg kwam de adrenalinepiek. Daar passeerde ik Meindert Brugman. Een predicaat als "mindere klimmer" geldt niet voor hem, want Meindert is een klasse apart. Zoals hij met zijn beperkingen woekert! Voor me lonkt de rug van Frans van Cappelle, mijn beul van dinsdag op minder dan het startverschil. Die zal ik hebben en daar hoef ik hem niet eens in te halen! Ik neem Marieke voor mij waar, en dat valt me tegen, want dat betekent dat ze in ieder geval door Giel ingehaald moet zijn, en dat had ik haar niet gegund. Dat zegt natuurlijk meer over mij dan over Marieke, maar aan de fotoserie van Tim te zien had er nog wel iemand een zwak voor haar. Inmiddels passeerden mij Bertjan van der Veen, in zeer soepele stijl en de door hem zojuist gepasseerde Miel Rozendaal. Zoef, zoef. Ik perste er nog een eindsprintje uit en reed zover voorbij de eindstreep als ik schatte dat ik de teller te laat had aangezet. Ik zag zoiets staan als 19.50 en dat stemde mij redelijk tevreden, al bedacht ik nu pas dat ik met mijn helm ook mijn zadeltas en mijn bidons ook wel aan een auto had kunnen meegeven. Samen toch gauw goed voor 2½ kilo. Volgend jaar beter! Ik schatte aan de hand van de startlijst dat het er om zou hangen of Bertjan en Miel onder het record van Tim zouden zijn gebleven. Na veel opgewonden nagepraat en veel gedoe met foto's, uitrustingsstukken en op te zetten helmen gingen we de afdaling in. Ik begin vaak vrij laat aan zoiets omdat ik altijd sta te kletsen met mensen die geen haast hebben. Dat betekende dan ook dat ik ergens achterin het veld aan de vijftien kilometer lange klim via de Col de la Croix de Vent naar de Col de la Baraque begon. Aanvankelijk achterhaalde ik nog wel wat mensen, doch daarna was het lange tijd stil om mij heen. Het werd pas weer leuk toen ik Frans voor mij zag zwoegen. Als ik een richtpunt heb en als er bovendien enkele stukken klim wat minder steil zijn wordt in mij eventjes de wielrenner wakker die ik als jongen uit de tijd van Wim van Est had willen worden. De aanschaf van een racefiets duurde nog tot mijn dertigste en van koersen is toen niets meer gekomen. Dat neemt niet weg dat ik deze keer niet kon rusten voordat ik Frans had geconsumeerd. De lunch ging zo op z'n elfendertigst dat velen zenuwachtig werden. Ze waren dan ook al haastig weg toen ik nog even een foto maakte van het col-bord. Dat werd dus weer achter de feiten aan hobbelen. Ik kwam nog een tijdje met Evert van Jole te fietsen, een van onze Columbiaantjes: snel wegfietsen in een klim, doch traag naar beneden. De volgende klim was lang, dus uiteindelijk zat ik langs de Gardon de St. Jean moederziel alleen, tot de auto met Tim langs kwam. Foto, foto en nog eens foto.
Later haalde ik Pieter Jukema in, die op dit terrein ongeveer mijn gemiddelde draait. We reden de rest dus samen. In St. Jean-du-Gard heb ik volgens het verslag van Erik van Leeuwen een overduidelijke pijl gemist en ben ik verkeerd gereden. Daar moet ik natuurlijk het mijne op zeggen, dat is het voordeel van een laat verslag. Inderdaad heb ik die pijl niet gezien, maar ik heb er ook niet naar gezocht omdat ik dat stadje wel ken. Met de routebeschrijving nog in het geheugen en met enig om je heen kijken bedenk je dan dat het onzinnig is om rechtsaf te gaan naar de buitenste brug over de Gard, als je weet dat het weggetje dat je moet hebben meteen na de binnenste brug linksaf is. (In Sneek laat ik me toch ook niet via de rondweg naar Joure sturen?) Het weggetje dat we moesten hebben is wat één van onze 100-cols-coryfeeën een grasweggetje placht te noemen omdat er gaandeweg meer polletjes in het midden groeien. Erik spreekt van een crossweggetje. Het voerde ons aan de stille kant van de rivier langs de museum-stoomspoorlijn. Ineens verraste ons na een steil klimmetje een bocht die ineens zo vlak was dat ik er zowat uit vloog. Pieter zat juist aan de mijn verkeerde kant en ik hoorde vreselijke geluiden achter mij. Ging hij daar onderuit? Nee, toch niet, want daar kwam hij hangend en leunend langszij. Ik leunde stevig terug en zo bleven we als door een wonder overeind. "Pff, dat scheelde weinig, ik dacht dat je ging!", riep ik uit. Meteen klonk de knal. Voorband onherstelbaar geploft. Heb je een vouwband? Nee. Ik wel. (Ik begin met de ontginning van mijn zadeltas.) Heb je een binnenband? Nee, wel plakmateriaal. Nou, ik heb wel een bandje. (Verbaasd diep ik er één op uit mijn proviandtasje.) Wat een geluk dat je mij bij je hebt, anders zat je nu mooi omhoog. Maar zonder mij erbij was je dit niet overkomen. (Paradox.)
Bij het hotel gekomen zagen we noch de begeleidende auto's noch de bijbehorende officials. Via de moderne tamtam, het mobieltje, was namelijk bekend geworden dat Bart Veldkamp er met Miel Rozendaal in was geslaagd zijn om de fiets van Bart weer in orde te krijgen. Miel zat niet voor niets in het fietsenvak voordat hij schaatsprof werd. Bart reed dus om halfvijf alsnog zijn tijdrit. De uitslag was nog geheim, doch toen het gezelschap terugkeerde werd gefluisterd dat hij het niet had gehaald. Zou te snel zijn begonnen. Waar kennen we dat toch van? Tim heeft van Gerrit gehoord dat hotelbaas Martinez ooit tegen Spasski heeft geschaakt. Maar de man wilde weinig meer van zijn schaakcarrière weten en voelde ook niets voor een partijtje met Tim. Toch wilde Tim een foto van hem maken. "Vind je niet dat hij sprekend op Donner lijkt?" Het was me nog niet opgevallen, maar, verdomd, hij heeft gelijk, het evenbeeld van wijlen onze schaakgrootmeester, zo ongeveer uit de tijd dat ik nog even fanatiek schaaktoernooien af liep als Tim.
Na het diner de prijsuitreiking. Daar maakte Tim nogal werk van. Er was een reeks bekers van de organisatie, er waren flessen champagne van het hotel en Tim zelf had een stapel boeken van eigen hand meegenomen. De drie profs zijn een aparte categorie: Bertjan als eerste en de enige die Tim's record had verbeterd, dan Miel en tenslotte Bart, die zich inderdaad had opgeblazen. De beste vrouw, geen kunst, dat was Marieke, want Jeanne deed vanwege haar knie niet mee. En dan nog! Eerste amateur was Giel, die net wat fanatieker is als Jos Odekerken, de tweede voor Evert van Jole en Erik van Leeuwen, de tien kilometer atleet. Toen kwam er een bijzondere act van Tim. Hij had een categorie 60+ in het leven geroepen. O, jee, dat was ik, want verder hadden we zelfs geen vijftigers in ons midden. Tim, de getallenfreak, had zich verdiept in de tijden en vond prompt uit dat de oudste deelnemer nou net de tijd had gemaakt van zijn geboortejaar: 19.42. Of Jarich ook even naar voren kwam. Nee, niks boek uitzoeken, want voor hem was het schaakboek van Tim's hand over de man die de Babsontask wilde maken. Daar zat voorkennis achter, niet strafbare voorkennis.
Gerrit moet Tim ingeseind hebben dat er één deelnemer was die op een boel fronten veel van Tim had: fietsen, schrijven, registreren van zinnige en onzinnige dingen, schaken, al was het dan in alle gevallen op een heel ander niveau. Het verbaasde mij later dan ook niet dat mijn tijd in werkelijkheid 19.51 was. Tim, de getallenfreak, had de waarheid even naar zijn hand gezet. Ach, laat ik me dan verder maar voelen als 52-jarige!

Naar boven

Vrijdag 13 juni.
De verplaatsing naar Le Rozier. Voor de eerste en enige keer geen rondrit. We moesten van Anduze naar Le Rozier. Aanvankelijk was gepland dat de mensen die met de auto waren gekomen op zondagmorgen met een busje naar Anduze zouden worden teruggebracht, doch op veler verzoek werd een zodanig alternatief geïmproviseerd dat alle auto's na de rit bij het nieuwe hotel stonden. In een vrij grote colonne kachelden we naar St.Jean-du-Gard, doch toen we daarna afsloegen naar de Col de St.Pierre, de eerste hucht van de Corniche des Cévennes, werd het veld snel uiteengeslagen. Na de klim zat ik tamelijk achterin, maar op vals plat en gevarieerd terrein vloog ik snel weg van wat er om mij heen zat.

Ik was dan ook alleen toen ik het bordje van de Col de l'Exil naderde. Daar kwam net een mannetje uit een zijpaadje de weg op. Dat drentelde daar wat rond, blauwe kiel, wit strohoedje op, knoestige stok in de hand. Ga weg, Frans boertje, loop door, want ik wil mijn fiets tegen het bord zetten om er een foto van te nemen. O, ga je niet? Nou dan fiets ik door, hoor. Zo'n beroemde col is dit nou ook weer niet! Ik had al weer aangezet toen de man tegen mij zei: "Zijn jullie de jongens van Tim Krabbé?". Ja, zei ik verwonderd en nieuwsgierig draaide ik bij. Ik beantwoordde een paar vragen. Nee, ik was niet de eerste en ook niet de laatste. Bart Veldkamp was er niet meer bij, nee, want die heeft een zaakje, hè, en moest vandaag terug naar België voor een paar criteria. Ik ben een fatsoenlijk opgevoede vent, dus ik stelde mij even voor. Kees van Kooten, zegt hij. "Verrek, dé Kees van Kooten!", constateerde ik terwijl ik hem nog eens monsterde. Geen wonder dat de man me zo vertrouwd voorkwam. Ja, zei hij, ik woon hier, Deze Col Is Van Mij.
Inmiddels voegden zich wat andere deelnemers bij ons en maakten we foto's. Kees fietst ook, maar op de vraag van Bart Jungmann of hij dan niet mee moest fietsen antwoordt hij geschrokken dat dat natuurlijk onzin is, want hij is over de zestig. Veelbetekenend grijnst Arie naar mij. Of Tim al langs was? We meenden van niet. Op dat moment stopte een Mercedes-cabrio met Belgisch kenteken en een fiets achterop: Philip Maes die Tim als een grootvorst over de Corniche reed. Ze moesten even weten met welke vreemdeling onze jongens daar stonden te praten. "Dag, Tim." "Hee, Kees!" Ze kennen mekaar wel, die prominenten! (Zie ook mijn stukje: Het Franse Boertje in FSM)

De rest van de Corniche fietste ik alleen. Eerst nog even een gemene hijs vanuit het centrum van het dorpje Le Pompidou de hoogvlakte op waar ergens de Col de Solpérière ligt. Dan een schitterende afdaling en in Les Vanels weer een prima lunch, nu in een door Vlamingen gerunde tent. Toen ik aankwam waren Giel en de schaatsers al weer gevlogen en bij mijn vertrek waren Pieter, Jan, Frans en Marieke net weggefietst. In het dal van de Tarnon achterhaalde ik ze, doch de klim van Rousses naar Cabrillac bracht de werkelijke krachtsverhoudingen aan het licht. Marieke en Jan vooraan aan het stuivertjewisselen, Frans daar krachtig achteraan. Hij was me deze keer flink de baas, want ik had het er in het begin behoorlijk moeilijk mee, al kwam ik als gewoonlijk na de vijfde kilometer weer aardig op gang. Philip en Tim passeerden ons in de klim (foto's…) en stonden boven op het kruispunt bij Cabrillac. De drie voor mij stonden daar nog te wachten en toen ik Frans een hand gaf wist hij precies wat ik bedoelde. Geëntertaind door Tim gingen we pas weg toen Pieter ook boven was. Het hielp hem niet veel, want de lange afdaling naar de Perjuret met twee stukjes vals plat nekten hem definitief. Ik aarzelde daar even tussen wachten en doorrijden, doch besloot dan dat solidariteit hier niet loonde, omdat het naar Meyrueis en zelfs verder nog een heel eind dalen was. Dus maar gauw achter de anderen aan, "even dat gat dichtrijden". Ze zaten telkens één bocht voor mij, maar dat bleef zo. Ik heb ze na Meyrueis niet meer teruggezien, ondanks het feit dat ik in het dal van de Jonte hele stukken 40 kon rijden.
Volgens mij heeft Marieke verschrikkelijk zitten sleuren. Wat doet trouwens zo'n laatste klimmetje in de afdaling pijn, als je zo'n stuk op het grote mes hebt gereden! Toen ik binnenkwam bij het Grand Western Hôtel du Rozier et de la Muse stonden er zo'n zeven fietsen, niet gek van mij. Dorst. Voor het eerst had ik mijn beide bidons geheel leeggedronken, hoewel ik ze zojuist bij Cabrillac nog had gevuld en ondanks dat heet water helemaal niet lekker is. Het bier was hier vier euro per glas, maar dan heb je ook pression, moet je maar denken. Je moet er maar wat voor over hebben om weer normaal aan het pissen te geraken. Wat was het trouwens fijn dat je je ook even in het zwembad kon laten zakken!

Veel verhalen deden de ronde op het terras en tijdens het diner. Bleek dat ik de gieren bij Meyrueis gemist had, waar ik sommigen over hoorde. Het beste verhaal was dat van de filmploeg. Hun auto vertoonde in de klim naar Cabrillac meer en meer kuren en hield er halverwege zelfs helemaal mee op. Na enig wachten deed hij het weer even en zo bereikten Roel en Sander het middeleeuws ogende dorpje Cabrillac alsnog. Bij hun pogingen daar hulp te krijgen hadden ze in het uitgestorven dorp maar één persoon ontmoet: iemand die ze een petitie liet tekenen voor een paar dorpelingen die hun huis uitgezet zouden worden. Later zijn ze op hun uitgebreide zoektocht naar een garage in ieder geval aan de weet gekomen wat de aard van de storing was: iets electronisch met de pomp van de koelvloeistof, die dan prompt aan het kotsen ging. Bij gebrek aan onderdelen is aan zo'n Japanse auto op korte termijn niets te verhelpen. Dus hebben ze maar een flinke portie reservevloeistof ingeslagen. En Mark maar ongerust rondfietsen omdat zijn team spoorloos was! Nou, ja, fietsen, dat kan hij!

Naar boven

Zaterdag 14 juni.
Tour de Mont Aigoual. De koninginnenrit, met ook nog een clubje ééndagsvliegen er bij. Na het ontbijt in colonne naar Les Vignes, waar de gevreesde klim naar de Causse Mejean begint. "Causse Mejan" zegt de IGN-kaart, die wel meer een afwijkende spelling hanteert. Zou dat nu Occitaans zijn, of is het de Franse slag? De klim, waarvoor we flink bang waren gemaakt, is inderdaad knap steil. Maar ach, dat wist ik al zowat vijfentwintig jaar. In een vakantie in dit gebied in de oertijd van De Renner heb ik de Causse Mejean al eens uitgeprobeerd. Dat was ten tijde van de legendarische bosbranden in de Gorges du Tarn toen we vanaf onze camping complete oorlogstoestanden waarnamen met brandweer- en legercolonnes op de weg en met blusvliegtuigen in de lucht. Dat waren toen ook hete tijden. Maar, terug naar de klim. Ik wist inmiddels al dat de eerste vijf klimkilometers nooit mijn succesvolste zijn. In dit geval was de nabijheid van Tim daar mede debet aan. Ik denk dat ik de deelnemer ben die hem al klimmend de meeste citaten uit zijn werk heb toegeslingerd. Ik moest ze soms nog herhalen ook, omdat ze aan zijn verkeerde oor gericht waren. Pas toen het klimwerk wat gevarieerder werd kon ik met Jan Hoogsteen, die ik in de klim als richtpunt had gebruikt, op de inhaaltoer gaan. Hij verdween uit mijn gezichtsveld toen ik mijn bril maar eens weer moest opzetten; dat doe ik veiligheidshalve meestal niet fietsend, en zeker niet in een afdaling. In de klim zet ik dat hulpstuk namelijk vaak af, eigenlijk een onzinnige maatregel, want het ding raakt toch wel besmeurd. Ongemerkt waren we op de hoogvlakte, een beetje een maf gebied. Soms zo vlak als de Bethunepolder bij Maarssen, dan weer met hellingen voor het binnenste blad. Bij een eindeloze klaprozenzee stond Tim met de filmequipe. Foto's, dus. Verderop werd ik al fotograferend, want wat heb je daar mooie inkijkjes in de Gorges de la Jonte, door enkele collega's voorbijgezoefd. Helaas stond mijn lens dan op het dal gericht, want wat had ik graag een Timkrabbéshirt van dichtbij in volle daalactie digitaal verschalkt. Ach, je kon hier ook niet zo makkelijk regisseren; we moesten maar hopen op de foto's van Tim. Die heeft er deze week, denken wij, 1943 gemaakt, precies zijn geboortejaar. Na Meyrueis klom ik ongeveer gelijk met Pieter op naar de Causse Noir. Nou ja, weer het oude liedje: hij fietste voorlopig weer bij mij vandaan. Maar dan zagen we Philip. Even later trof ik Pieter aan bij de mopperende Vlaming die weer een afloper had. Ja, dan heb je deze jongen nodig, want die heeft nog een ouderwetse lange pomp. Gedrieën gingen we verder, doch einde klim, de kaart zegt dat het hier Haut de la Côte heet, uit het bos komende had ik de maten al weer ver achter me omdat de laatste kilometer niet meer echt steil is. Ik heb dus toch nog één kwaliteit! Bij de lunch in Lanuéjols duurde het even voordat ook Philip aankwam. Lopend. Dat was een uitdaging, want Gerrit en Philip hadden gisteren die band ook al uitgebreid onderzocht en geen scherp gevonden. Ga nou toch eerst zitten en eten, zeiden ze nog. Maar ik bleef ongedurig tot ik het stukje glas had gevonden. Zo, probleem gefikst, nu verder lunchen. Nou, dat duurde wat, totdat mij bleek dat alle later aangekomenen hun dessert al op hadden en al weer op de fiets klommen. Vlug nog even dat gebak besteld, en dan gauw verder, want de tijd liep door en de temperatuur steeg nog steeds. In gezelschap van Pieter op pad naar de afdaling naar Trèves die er wezen mag. Vanwege het feit dat de Gorges de Trèvezel was afgesloten omdat er een stuk weg was verdwenen moesten we nu naar de Col de la Pierre Plantée.
Volgens het verhaal dat Gerrit vanmorgen opdiste ben je dan ongeveer op hoogte en is het ergste klimmen voorbij. Pieter, van wie ik gisteren hoorde dat hij vóór deze Ronde nog nooit een mijl had geklommen, begon weer sterk, maar toen na het bordje van de col de helling onverwachts zijn recht hernam, knakte er iets in hem. Het is gewoon nog vijf kilometer verder klimmen. Veel te ver omhoog, want we zouden verderop nog weer een eind moeten dalen voor we weer op de echte route waren. Omkijkend in de klim heb ik Pieter nog één keer gezien, toen was ik weer alleen. Nou ja, alleen? Zwermen vliegen vergezelden mij in de lome hitte en wisten op mij vele lekkere plekjes te vinden. Ik heb er zelfs enkelen op hand en pols doodgemept, want zo alert als bij mij thuis waren deze vliegen niet. Of ben ik in de hitte zo vlug? Nee, dat is meer een eigenschap van de hagedissen die ik overal in de berm hoorde ritselen en waarvan ik nu en dan een gifgroen exemplaar in grote haast mijn route zag kruisen. Wat opviel is dat er hier, net als zowat overal elders, geen verkeer viel waar te nemen. Wat zijn de Cevennen toch rustig! En kijk toch eens links, waar je ineens op de rest van Frankrijk neerkijkt. O, ja, de uitzichtpunten die ik op de kaart gezien had. Moesten we toch langzamerhand ergens ter hoogte van Camprieu zijn, het plaatsje dat we vanwege de wegomlegging net niet zouden zien.
Maar wat hoorde ik daar? Een auto naderde. Verkeer! Nee, toch niet, het werd weer stil. Een eindje verder weer autogeluiden, al was het hortend en stotend. Daar kwamen de filmjongens langszij, Roel en Sandder met Tim aan boord. Hielden ze nu in om mij opnieuw door Tim te laten fotograferen? Die foto's waren toch al uit ten treure gemaakt? Nee, de auto stopte. Of ze pech hadden, vroeg ik. Neen, rijd maar door. Even later startgeluiden. Hij draaide weer, kwam langszij. Foto. Verderop weer een zachte landing. Dan nog eens langszij, foto, en vervolgens weer stil. Ik passeerde een ruisend beekje, watervalletje, of wat het ook maar was. Verleiding, want het was bloedje heet, doch voorlopig had ik nog wel water, dus verder gaan. Goede beslissing, want al gauw trof ik de auto van Pascal en Gerrit aan, die na het uitpijlen nu aan het uitwateren waren geslagen. Bidons vullen, rapport uitbrengen over de haperende auto en dan weer verder. Fijn, want als je fietst heb je tenminste wat koeling door rijwind. Bij de Séreyrède: daar was de Tim-auto weer. Nog meer foto's. Ik was deze dag het meest gefotografeerde object, omdat ik exact dezelfde gemiddelde snelheid had als de auto. Verderop stonden ze weer, niet eens aan de kant van de weg, motorkap open, koelvloeistof bij te vullen. Die auto werd nu wel gauw moe, zeg!
Maar, het leed was kennelijk geleden, want na de top heb ik ze niet meer gezien. Prat Peyrot, en dan de afdaling. Ach, sukkel, je wist toch wel dat je eerst nog een flink eind omhoog moet voordat de afdaling begint? Ja, nu herinnerde ik het me weer. Hé, daar kwamen een paar fietsers vanaf de top bij het weerstation. Zouden die van ons zijn? Jawel hoor, ik arriveerde op de driesprong gelijk met Meindert, Jeanne en die Brit uit het hotel die had gevraagd of hij mee mocht op hun alternatieve route en die zelf de dag van zijn leven meemaakte, doch wiens vrouw het maar niks vond. Foto's maken en verder maar weer. De afdaling kende ik nu wel, laatstelijk van gisteren. Ik maakte me nog wat zorgen over mijn watervoorraad, want de wind in de Gorges de la Jonte stond nu duidelijk ongunstiger dan gisteren en de gevoelstemperatuur was aanmerkelijk hoger. Dat klopte wel, want het zeer geavanceerde horloge van Bertjan gaf voor deze dag een maximum van 41 graden en in de TGV beluisterde Erik de volgende dag Franse radioberichten die zeiden dat de junirecords hier waren gesneuveld en dat de temperatuur in de Gorges du Tarn 38,5 graden was geweest. O, ja, bij Meyrueis heb ik nu wel de gieren gezien: hele zwermen. Zag ik zo bleek?
Tien kilometer voor het einde kwamen Pascal en Gerrit langszij om mijn bidon te vullen, doch dat was niet eens nodig geweest. Hoogstens voor de kick dat je bevoorraad wordt vanuit de ploegleiderswagen, want dat maakt een toerfietser zelden mee. Nee, het zat er op. De fiets had zijn plicht gedaan, de pedalen konden er weer af. En het baasje kon nogmaals een pilsje pakken. De vrouw van de Brit, die de hele dag op hun boxer heeft moeten passen die ongetwijfeld Winston heet, vroeg waar we haar man hadden gelaten. Ze bezwoer dat ze vanavond zijn fiets in mootjes zou zagen.

Naar boven

Zondag 15 juni.
De terugreis. Dat werd het verhaal van de tien kleine negertjes, dat werden er negen. Nou, ja, daarmee evenredig dan. Gisteren waren we ineens Philip Maes al kwijt, die haastig was afgereisd naar zijn tandarts om ons de aanblik van zijn zojuist afgebroken tand te besparen, want dat was volgens zijn afscheidsbriefje "geen aanzicht". Afscheid van degenen die op andere wijze naar huis gingen en dan het busje in. Onderweg hadden we wat regendruppels op de ruiten, doch dat mocht geen naam hebben. Het einde van de stop bij het autowegrestaurant van Le Caylar had een hoog Timgehalte. De afgesproken vertrektijd was al ruim verstreken en nog had zich Brigitte niet gemeld! Er werd al over het Gouden Ei gefluisterd toen ze eindelijk weer opdaagde. Pak van ons hart. In Montpellier was het al weer knap warm toen wij nog anderhalf uur stuk moesten maken met een lunch en wat geslenter of oppassen op de bagage. Op zondag zijn namelijk de bagagekluisjes gesloten. En nu moeten we niet over Franse toestanden gaan zeuren, want later op de dag hadden we minstens zoveel last van het feit dat onze NS-dubbeldekkers in het geheel geen ruimte voor bagage hebben. Dat was dan na de deze keer zeer voorspoedig verlopen TGV-reis, en ook na mijn Brusselse avontuur.
Mijn rugzakje op de rug, een tas aan mijn schouder en een weekendtas en een plastic zak met drinken aan mijn handen, probeerde ik de trein te enteren. Als je dan een hand in je kontzak voelt kan dat nooit je eigen hand zijn. Neen, die was dan ook van dat Mediterrane type met dat jasje over zijn arm dat daar in het overigens geheel lege voorportaal tegen me aan stond te bokken. Wat een naïef rund ben ik om de portemonnee in de kontzak te laten. Maar wat was hij voor een grote sukkel dat hij mijn portemonnee niet meteen klemvast had? Ik zorgde nu wel, met de hand op mijn kont, dat ik onze hele omgeving waarschuwde. Er maakte zich een geweldige woede van mij meester. Ik had hem bij kop en kont uit de trein moeten flikkeren. Gelukkig waren dat achterafgedachten, want voordat je zover bent heb je al een mes tussen je ribben, ben ik bang. Nu lieten we het bij het klinisch bestuderen van het verdere gedoe van het clubje zakkenrollers waartoe deze figuur bleek te behoren. Heel instructief. We hadden dat artikel over zakkenrollerij zelf kunnen schrijven dat een poos later in de Volkskrant verscheen. Op station Schiphol ging het uitsterven verder. Afscheid van deze, afscheid van gene, en dan de laatste akte. Nog even op twee fietsen en bagage passen terwijl de eigenaar van de andere helft van deze spullen zijn auto even van Schiphol-langparkeren haalde. Ik had namelijk mijn terugreis geregeld met Gert Spijker uit Arnhem, die immers toch langs Utrecht moest. Spullen inladen, nog vlug even een patatje, en dan naar huis. Dat werd half twee. Kater. Iets moois was afgelopen. Maar ja, aan alles komt een eind. Gelukkig had ik het Lief Dagboek tijdig als een soort poëziealbum laten rondgaan en zijn daarin ook de e-mail adressen terechtgekomen. Het is met alle e-mail-verkeer nog lang nagenieten. Dat was het dan. Ja, net als Erik verzucht ik dat ook dit verhaal erg groot is geworden. Elf FSM columns groot. Dat krijg je als je geen redactie vermoedt die een maximaal aantal woorden en tekens hanteert. Of zou het toch? Dan gaan ze snoeien en lees je natuurlijk ook deze slotregel niet!

 

terug verslag Ronde van Tim Krabbé 2003