|
|
Ronde van Tim Krabbé 2003
door Jarich Renema, 2003
Verslag op basis van de niet-geschreven notities uit het Lief
Dagboek.
Het notitieboekje was dik genoeg, daar lag het niet aan. Maar
de week zat zo vol met fietsen en (andere) gezelligheid dat er van notities
maken weinig kwam. Het verslag komt dan ook voornamelijk uit het geheugen.
Deels na enkele dagen, doch het bijschaven duurde tot het einde van de tweede
week van de nieuwe jaartelling: de tweede week na de Ronde van Tim
Krabbé en de eindredactie is zelfs van maanden later.
Maandag 9 juni.
De Reis Bert,
mijn buurman, bracht me met mijn eigen autootje naar Schiphol-plaza, waar het
kennismaken begon. Vervolgens het inladen van de fietsen in het door Cor
Verhoef gereden busje. Brigitte Wakker, onze uitstekende reisleidster zorgde
voor àlles. Ik zeg alleen maar niet dat ze als een kloek over haar
kuikens waakte omdat ze in niks aan kloek doet denken. Rustige treinreis naar
Brussel, net als die per TGV naar Lille. Daarna stroomde de trein vol. Meer dan
vol. Vanaf Lyon was het aantal gangpadpassagiers ongeveer even groot als het
aantal met een reguliere zitplaats. Vermoedelijk door de stakingen wegens de
bedreigde pensioenen. Er werd dan ook omgeroepen dat de trein uit
veiligheidsoverwegingen niet harder mocht dan 220 km/u. We waren dan in Nimes
ook een uur te laat. Weerzien met Gerrit, met wie ik in het verleden duizenden
kilometers heb gefietst! Hij reed de laatste van de drie Espaces die ons naar
Anduze moesten brengen, die met opschrift Bart.Veldkamp@avantage.nl. Omdat de
eerste ergens in de stad door oranje reed en de tweede door rood, raakten wij
ze kwijt. Al gauw Brigitte aan de telefoon, doch Gerrit stelde haar gerust: wij
vinden het wel. Meteen daarna ging het dan ook behoorlijk verkeerd! De
belangrijkste les die we al dwalend leerden is dat je naar Alès vragend
niet "Alè" moet zeggen, doch de "S" zeer duidelijk moet uitspreken.
Onderweg wees Gerrit, die bijna even Cévennofiel is als Tim, ons tot hoe
ver het dal vol had gestaan bij de overstromingen van vorig jaar. In hotel Les
Acacias ontmoetten we de doe-het-zelvers, die met hun auto naar Anduze waren
gekomen. Het duurde wel een etmaal voor ik ook die namen allemaal kende.
Naar boven
Dinsdag 10 juni.
Pont du Gard. Op
naar Pont du Gard, niet een stad, zoals de grootte van de letters op de kaart
doet vermoeden, doch een Romeins aquaduct en dan ook een toeristische kermis.
Bertjan van der Veen, de marathonkampioen schaatsen, viel me op als een heel
sociale fietser. Hij was een van de weinigen die de route op zijn kaart
intekende en deze dus vervolgens ook nauwelijks behoefde te raadplegen. Daarbij
wilde hij zijn groepjes altijd bij elkaar houden. Zou dat komen omdat die
maratonschaatsers altijd denken in termen van ploegbelangen? Aan lange
lunchpauzes hadden de schaatsers echter een broertje dood, want van rusten word
je zo moe. Gauw verder, want ze hadden "thuis" nog wat te doen. Of dat
krachttraining was of luieren onttrok zich dan aan onze waarneming. Ik zat lang
bij de toptien, doch mijn plaats in dat gezelschap werd al gauw ingenomen door
een meisje in een lichtblauw shirtje, dat we eerst gelost hadden. Dat bleek dan
Marieke Jansz te zijn, columniste van het AD, die helemaal niet gelost was,
doch heel sociaal bij de eerste lekke band achterbleef. Ik heb die groep laten
gaan, omdat ik foto's wilde maken. Ik ben fietstoerist en heb altijd de camera
bij me, inmiddels een handzame digitale. Je moet toch ergens mee opvallen,
bovendien, de lunch is nabij.
Die lunch te Pont du Gard was geweldig, en
dat zou elke dag opnieuw zo blijken te zijn. We hebben geweten waar we voor
betaald hadden! Na de lunch probeerde ik op mijn toerfietsersmanier een goede
knecht te zijn door in een schappelijk tempo op de valsplatte Route Nationale
noordwaarts kop te doen, doch van Giel van Berkel moest het blijkbaar harder en
net voor Pouzilhac fietste Frans van Cappelle weg, die genadeloze stoemper.
Giel volgde en Marieke sprong mee. Het spel op de wagen, heet dat. Zo leerde
deze jongen gauw dat we hier geen toerfietsers waren, want die fietsen met
elkaar; neen, hier fietsten we tegen elkaar. Nou, ja, bedacht ik, het ontheft
je ook van een boel verantwoordelijkheid voor elkaar; laat ik me maar weer als
toerist gaan gedragen. Nog lang zag ik ze voor me rijden, die vijf met Jan
Hoogsteen en Jos Odekerken erbij. Ik bleek al gauw een schaduw te hebben, doch
ik had pas tien kilometer verder het benul achterom te kijken en herkende hem
toen als Pieter Jukema, die goed kan aanklampen. Plotseling hadden we de vijf
weer te pakken toen ze in St. Quintin-la-Potèrie ronddwaalden op zoek
naar de route. Met mijn kaartje zag ik al gauw hoe het wel moest, doch verderop
westwaarts gingen ze onder impuls van Frans en Giel weer zo hard dat ik ze maar
weer liet gaan. Jan probeerde nog lang de vijfde man van dat groepje te worden,
maar liet zich uiteindelijk afzakken. Samen zijn we naar Anduze gefietst, waar
Jan zei dat hij het helemaal gehad had. Je moet mensen nooit helemaal geloven,
want had je hem de latere dagen moeten zien fietsen. Het napraten (bij
schaakpartijen heet dat wel "post mortem") wees uit dat Giel en Frans als
eersten waren aangekomen, volgens mij omdat Marieke ze heel tactisch had laten
gaan en Jos dan gewoon een galante metgezel is. Overigens moest Marieke meteen
aan haar notebook voor het stukje in het AD, terwijl ze liever met de anderen
het zwembad in was gedoken. Waarom Jan, anders dan in het stuk voor de lunch,
niet meer naar zijn Jeanne had omgekeken? Ach, hij had inmiddels ontdekt dat
zij onder de hoede van Evert van Jole niet verloren kon geraken. Evert heeft
een stuurtas met kaart en routebeschrijving, en gebruikt die ook. Van de
anderen meen ik te weten ik dat Bart Jungman vanaf Pont du Gard onder het
aanvoeren van journalistieke argumenten autovervoer afdwong en dat Gerrit met
Meindert Brugman de korte route over Uzès ging rijden, nadat ook hij
zijn pedalen had gemonteerd. Voordien was hij uitpijler per auto. We zijn deze
twee ergens bij Gattigues nog achterop gekomen. Gerrit heeft overigens nog
hetzelfde pompje van vroeger, toen ik diverse Rondes van Nederland met hem
fietste, dat pompje waarop een bel is gemonteerd. Hij kon desgewenst met zijn
linkerkuit bellen! Evert, de begeleider van Jeanne, vond een rustiger route,
waarin ik pas bij het maken van mijn verslag een tegengesteld stuk route van de
100-cols tocht herkende. Die tocht heb ik nota bene drie keer gereden. Meindert
kwam uiteindelijk per auto in Anduze aan, want het "vlakke" parcours had hem
wel wat gesloopt. Dat heeft hem niet weerhouden van de topprestaties op de
volgende dagen.
Naar boven
Woensdag 11 juni.
Elf(?)collentocht. Gerrit stelde voor dat wij samen de achterwacht van de
lange route zouden vormen. Zodoende deed ik wat Marieke in haar AD-stukje voor
zichzelf had aangekondigd: de achterkant van het peloton bekijken. Wat Marieke
zelf deed was heel lang niet duidelijk. Gerrit moest als Anduze-kenner eerst
aan Cor in de bezemwagen even de weg naar de winkel wijzen, want er moest fruit
en vooral veel water worden ingeslagen. Het was gisteren gloeiend heet: plassen
teer en zo. Toen ik, met foto's maken als alibi, Gerrit had opgewacht, had ik
inmiddels een goed idee gekregen van de rangorde in het achterland. Toen wij
ons ergens bij de Col de Bane op een kudde schapen vastliepen hadden we een
handjevol deelnemers achter ons, waaronder Meindert, die een eigen route zou
rijden. Samen met Gert, die zojuist de schapenkudde had gefotografeerd, roeiden
we in navolging van Bart Jungman voorzichtig door de schapenstroom. Bij het
naderen van Lasalle lokte ik Gerrit mee op het ooit door wijlen mijn egaa
ontdekte binnenweggetje van de camping naar het dorp, waar ik hem al over
verteld had. We moesten daarbij wel even opletten, want Bart en Gert zagen ons
afslaan en volgden ons slaafs; de toerleider zou immers wel weten waar hij
langs moest. Het weggetje was er overigens niet beter op geworden: alles slijt,
huilen hoeft niet meer. Op de Col de Mercou een kleine bevoorrading en koppen
tellen. Jan Hoogsteen kwamen we net tegen, op zoek naar Jeanne, achter ons. Zij
zou later met een zere knie instappen, Jan daarmee bevrijdend, want die wilde
zich eigenlijk wel graag aan het front manifesteren. Dat zal wel de bron zijn
van Bart's beschrijving in zijn krant dat Walick Riethoven verontwaardigd
wegvlindert van de Volkskrant, die zijn wiel tracht te houden. We weten
inmiddels wie de lange route zullen rijden. Marieke ook, zegt ze nog. Op het
bruggetje na de afdaling, vlak voor l'Estréchure, is het een twijfelen
van belang. De korte afstand moet meteen omhoog naar de Asclier, de lange moet
nog een heel eind het rivierdal volgen voordat het via de Col de l'Espinas en
nog enige col-bordjes zonder klim ook de Asclier op gaat. Ik beduid Marieke nog
dat ze het bruggetje over moet en ze zegt ja, maar doet uiteindelijk nee. Zal
ze ook wel weer journalistieke argumenten voor hebben. Bij het cafeetje in
l'Estréchure waar een heel groepje mensen water getankt heeft (die
hadden Cor op de Mercou gemist) pikten we nog Arie op, de veerbootkapitein, die
het meer en meer te kwaad kreeg met zijn waterhuishouding. Hij dronk
uiteindelijk per vijf kilometer zowat een bidon leeg en kreeg desondanks last
van kramp. Later hebben ze hem zouttabletten gegeven; toen was het euvel
verholpen. Vanaf dit moment waren we met z'n drieën: Gerrit, Arie en ik.
Op de Espinas weer verzamelen, in Les Plantiers nog een korte
water-en-gebak-stop. Op de Asclier gekomen moest ik maar doorrijden, zei
Gerrit; de lunch is drie kilometers dalens verder, op de Col de Bès. Ik
reed die plek dan ook zowat voorbij, want die twee partytenten met onbekenden
daaronder oogden als een lokaal familiefeestje. Als er nou nog wat fietsen
hadden gestaan, maar de rijders voor ons waren allemaal al weg.
Gelukkig
zag ik net op tijd Brigitte en Jeanne in de achterste tent wijzen waar de
doorgang naar het weitje, anders was me het lot beschoren geweest van Miel en
Marieke, de koplopers die eerder onder dezelfde omstandigheden drie kilometer
waren dóórgedaald naar de Col de la Triballe tot ze aan de
wegwijzer aldaar zagen dat ze iets lekkers aan het missen waren. Even later
arriveerden Arie en Gerrit, welke laatste nog even lek was gereden. De
reparatiepoging door Pascal luidde het einde in van het roemruchte bel-pompje.
Die reparatiepoging was niet eens geslaagd te noemen, want al gauw na de lunch
bleek dat Gerrit in de afdaling niet aan Arie's wiel had gezeten, zoals ik
meende. Ongerust ging ik de gelukkig niet zo steile helling weer op. Na enkele
kilometers de opluchting van de ontmoeting. Hij lag toch niet ergens onder in
de bosjes, maar de band was opnieuw geklapt en nu was de vraag of ik een goede
pomp had, want in zijn frustratie had Gerrit zijn pompje definitief geknakt.
Een monument was van ons heengegaan. Gaandeweg leerde ik dat ik in de klim bij
Gerrit moest blijven om de wachttijd wegens demoralisatie niet onnodig te
verlengen. Ik hield hem voor dat afzien fijn is. En wat vond hij het fijn! Zo
fijn dat hij in Colognac nog een leuk terrasje wist. Het werd de steilste
helling van de dag, maar die tent was gesloten. Zo moest Arie zich behelpen met
de kraan van het municipaal toilet. Daarna was het lekker afdalen naar Lasalle.
Toen er in de weg naar Anduze nog enkele stukken vals plat zaten was de pijp
van Gerrit allang leeg en heeft Arie eerst aarzelend, doch met allengs meer
overtuiging zijn tocht naar de eindstreep solo voortgezet. Toen ik een
aankondigingbord van ons hotel citeerde: "nog twee minuten", had Gerrit nog wel
de kracht om te riposteren dat ik dan wel verdomd hard moest fietsen.
Inderdaad, ik ben geen auto. Nou, wij kwamen er tòch, en toen was er het
zwembad.
Maar wat kan die Gerrit nog steeds afzien. Ach, ik wist allang dat
hij nooit vooraf traint, maar uitsluitend tijdens een tocht! Moet je hem morgen
of overmorgen eens zien fietsen. Inmiddels was Tim Krabbé afgehaald van
het vliegveld, en konden de avondlijke Tim-sessies beginnen. Hoofdonderwerp was
vandaag natuurlijk de Col d'Uglas, van de tijdrit van morgen. We moesten
allemaal onze voorspelling van de winnende tijd inleveren. Heel onthullend,
want het resultaat zegt niets over de deelnemers en alles over de voorspellers!
Deze dag deed ook mee Erwin Warmerdam, een Gerrit bekende campinghouder uit
deze streek die zich een dag kon vrijmaken. Hij heeft dan ook een goede kijk op
Frankrijk en de Fransen en zette de hotelpersoneelsleden eventjes gevoelig op
hun nummer toen ze alleen nog maar warme pils wisten te leveren.
Voorraadbewaking is ook verschrikkelijk moeilijk! In rad Frans legde hij ze uit
dat we voor de prijs van 3 euro per flesje wel wat meer service mocht
verwachten. Prompt kwamen de champagnekoelers met ijs op tafel. De namen
Warmerdam en Van Warmerdam, zo hoorde ik, zijn afgeleid van Warmonderdam, een
historische locatie nabij Warmond. Zo mag ik het horen, ik ben niet voor niets
een genealoog die ook nog eens liefhebberij heeft in geschiedenis en
topografie. Er voegde zich inmiddels nog een drietal mensen bij onze karavaan.
Mark Bakker had al dromend van het maken van een mooie filmdocumentaire van
zijn laatste centen goede apparatuur gehuurd en zou zelf meefietsen met een
vingercamera op zijn helm. Zijn maten Roel en Sandder reden met het grotere
materiaal in zijn wrakke Japanse auto. Een betere kar zat er niet aan, zei hij,
want het geld was op. Nou, dat zouden ze nog weten!
Naar boven
Donderdag 12 juni.
Col d'Uglas
en verder. De dag van de tijdrit. Allerlei mensen gespannen. Ons allen was goed
aangezegd dat we tijdig klaar moesten staan voor de gezamenlijke aanloop naar
de startstreep. Toch ging het mis. Bart Veldkamp, die de vorige dagen al zo'n
gekraak had gehoorde in zijn frame had zojuist zijn zadel inclusief halve
zadelpen in handen gehouden. Dikke mazzel dat de breuk zich niet manifesteerde
tijdens een afdaling. Vette pech dat we te weinig tijd hadden voor reparatie,
want zo'n uitdaging had ik graag aangenomen. Dus zonder Bart in colonne naar de
voet van d'Uglas. Tijdrit. Timzelf duwde de deelnemers af. Ik had besloten op
het middenblad, 40 (ja, de ouwe heeft een triple), te starten. Terwijl ik
wegsnelde zag ik dat ik mijn teller nog niet op nul had gezet. Dat moest
alsnog. Even later al merkte ik dat ik te snel gestart was en in paniek
schakelde ik dan maar van 20 naar 21. Had ik niet moeten doen; even doorbijten
had me een betere tijd opgeleverd. Nou, ja, volgend jaar dan maar. Toen ik
later even naar 14 km/u teruggezakte berekende ik dat ik zo zelfs de boven de
twintig minuten zou komen, en dat was me te min. In het gehucht halverwege,
waar het iets vlakker is, kwam er weer wat snelheid in en toen ik enkele mensen
voor mij in zicht kreeg kwam de adrenalinepiek. Daar passeerde ik Meindert
Brugman. Een predicaat als "mindere klimmer" geldt niet voor hem, want Meindert
is een klasse apart. Zoals hij met zijn beperkingen woekert! Voor me lonkt de
rug van Frans van Cappelle, mijn beul van dinsdag op minder dan het
startverschil. Die zal ik hebben en daar hoef ik hem niet eens in te halen! Ik
neem Marieke voor mij waar, en dat valt me tegen, want dat betekent dat ze in
ieder geval door Giel ingehaald moet zijn, en dat had ik haar niet gegund. Dat
zegt natuurlijk meer over mij dan over Marieke, maar aan de fotoserie van Tim
te zien had er nog wel iemand een zwak voor haar. Inmiddels passeerden mij
Bertjan van der Veen, in zeer soepele stijl en de door hem zojuist gepasseerde
Miel Rozendaal. Zoef, zoef. Ik perste er nog een eindsprintje uit en reed zover
voorbij de eindstreep als ik schatte dat ik de teller te laat had aangezet. Ik
zag zoiets staan als 19.50 en dat stemde mij redelijk tevreden, al bedacht ik
nu pas dat ik met mijn helm ook mijn zadeltas en mijn bidons ook wel aan een
auto had kunnen meegeven. Samen toch gauw goed voor 2½ kilo. Volgend
jaar beter! Ik schatte aan de hand van de startlijst dat het er om zou hangen
of Bertjan en Miel onder het record van Tim zouden zijn gebleven. Na veel
opgewonden nagepraat en veel gedoe met foto's, uitrustingsstukken en op te
zetten helmen gingen we de afdaling in. Ik begin vaak vrij laat aan zoiets
omdat ik altijd sta te kletsen met mensen die geen haast hebben. Dat betekende
dan ook dat ik ergens achterin het veld aan de vijftien kilometer lange klim
via de Col de la Croix de Vent naar de Col de la Baraque begon. Aanvankelijk
achterhaalde ik nog wel wat mensen, doch daarna was het lange tijd stil om mij
heen. Het werd pas weer leuk toen ik Frans voor mij zag zwoegen. Als ik een
richtpunt heb en als er bovendien enkele stukken klim wat minder steil zijn
wordt in mij eventjes de wielrenner wakker die ik als jongen uit de tijd van
Wim van Est had willen worden. De aanschaf van een racefiets duurde nog tot
mijn dertigste en van koersen is toen niets meer gekomen. Dat neemt niet weg
dat ik deze keer niet kon rusten voordat ik Frans had geconsumeerd. De lunch
ging zo op z'n elfendertigst dat velen zenuwachtig werden. Ze waren dan ook al
haastig weg toen ik nog even een foto maakte van het col-bord. Dat werd dus
weer achter de feiten aan hobbelen. Ik kwam nog een tijdje met Evert van Jole
te fietsen, een van onze Columbiaantjes: snel wegfietsen in een klim, doch
traag naar beneden. De volgende klim was lang, dus uiteindelijk zat ik langs de
Gardon de St. Jean moederziel alleen, tot de auto met Tim langs kwam. Foto,
foto en nog eens foto.
Later haalde ik Pieter Jukema in, die op dit terrein
ongeveer mijn gemiddelde draait. We reden de rest dus samen. In St.
Jean-du-Gard heb ik volgens het verslag van Erik van Leeuwen een overduidelijke
pijl gemist en ben ik verkeerd gereden. Daar moet ik natuurlijk het mijne op
zeggen, dat is het voordeel van een laat verslag. Inderdaad heb ik die pijl
niet gezien, maar ik heb er ook niet naar gezocht omdat ik dat stadje wel ken.
Met de routebeschrijving nog in het geheugen en met enig om je heen kijken
bedenk je dan dat het onzinnig is om rechtsaf te gaan naar de buitenste brug
over de Gard, als je weet dat het weggetje dat je moet hebben meteen na de
binnenste brug linksaf is. (In Sneek laat ik me toch ook niet via de rondweg
naar Joure sturen?) Het weggetje dat we moesten hebben is wat één
van onze 100-cols-coryfeeën een grasweggetje placht te noemen omdat er
gaandeweg meer polletjes in het midden groeien. Erik spreekt van een
crossweggetje. Het voerde ons aan de stille kant van de rivier langs de
museum-stoomspoorlijn. Ineens verraste ons na een steil klimmetje een bocht die
ineens zo vlak was dat ik er zowat uit vloog. Pieter zat juist aan de mijn
verkeerde kant en ik hoorde vreselijke geluiden achter mij. Ging hij daar
onderuit? Nee, toch niet, want daar kwam hij hangend en leunend langszij. Ik
leunde stevig terug en zo bleven we als door een wonder overeind. "Pff, dat
scheelde weinig, ik dacht dat je ging!", riep ik uit. Meteen klonk de knal.
Voorband onherstelbaar geploft. Heb je een vouwband? Nee. Ik wel. (Ik begin met
de ontginning van mijn zadeltas.) Heb je een binnenband? Nee, wel
plakmateriaal. Nou, ik heb wel een bandje. (Verbaasd diep ik er
één op uit mijn proviandtasje.) Wat een geluk dat je mij bij je
hebt, anders zat je nu mooi omhoog. Maar zonder mij erbij was je dit niet
overkomen. (Paradox.)
Bij het hotel gekomen zagen we noch de begeleidende
auto's noch de bijbehorende officials. Via de moderne tamtam, het mobieltje,
was namelijk bekend geworden dat Bart Veldkamp er met Miel Rozendaal in was
geslaagd zijn om de fiets van Bart weer in orde te krijgen. Miel zat niet voor
niets in het fietsenvak voordat hij schaatsprof werd. Bart reed dus om halfvijf
alsnog zijn tijdrit. De uitslag was nog geheim, doch toen het gezelschap
terugkeerde werd gefluisterd dat hij het niet had gehaald. Zou te snel zijn
begonnen. Waar kennen we dat toch van? Tim heeft van Gerrit gehoord dat
hotelbaas Martinez ooit tegen Spasski heeft geschaakt. Maar de man wilde weinig
meer van zijn schaakcarrière weten en voelde ook niets voor een
partijtje met Tim. Toch wilde Tim een foto van hem maken. "Vind je niet dat hij
sprekend op Donner lijkt?" Het was me nog niet opgevallen, maar, verdomd, hij
heeft gelijk, het evenbeeld van wijlen onze schaakgrootmeester, zo ongeveer uit
de tijd dat ik nog even fanatiek schaaktoernooien af liep als Tim.
Na het
diner de prijsuitreiking. Daar maakte Tim nogal werk van. Er was een reeks
bekers van de organisatie, er waren flessen champagne van het hotel en Tim zelf
had een stapel boeken van eigen hand meegenomen. De drie profs zijn een aparte
categorie: Bertjan als eerste en de enige die Tim's record had verbeterd, dan
Miel en tenslotte Bart, die zich inderdaad had opgeblazen. De beste vrouw, geen
kunst, dat was Marieke, want Jeanne deed vanwege haar knie niet mee. En dan
nog! Eerste amateur was Giel, die net wat fanatieker is als Jos Odekerken, de
tweede voor Evert van Jole en Erik van Leeuwen, de tien kilometer atleet. Toen
kwam er een bijzondere act van Tim. Hij had een categorie 60+ in het leven
geroepen. O, jee, dat was ik, want verder hadden we zelfs geen vijftigers in
ons midden. Tim, de getallenfreak, had zich verdiept in de tijden en vond
prompt uit dat de oudste deelnemer nou net de tijd had gemaakt van zijn
geboortejaar: 19.42. Of Jarich ook even naar voren kwam. Nee, niks boek
uitzoeken, want voor hem was het schaakboek van Tim's hand over de man die de
Babsontask wilde maken. Daar zat voorkennis achter, niet strafbare voorkennis.
Gerrit moet Tim ingeseind hebben dat er één deelnemer was die
op een boel fronten veel van Tim had: fietsen, schrijven, registreren van
zinnige en onzinnige dingen, schaken, al was het dan in alle gevallen op een
heel ander niveau. Het verbaasde mij later dan ook niet dat mijn tijd in
werkelijkheid 19.51 was. Tim, de getallenfreak, had de waarheid even naar zijn
hand gezet. Ach, laat ik me dan verder maar voelen als 52-jarige!
Naar boven
Vrijdag 13 juni.
De verplaatsing
naar Le Rozier. Voor de eerste en enige keer geen rondrit. We moesten van
Anduze naar Le Rozier. Aanvankelijk was gepland dat de mensen die met de auto
waren gekomen op zondagmorgen met een busje naar Anduze zouden worden
teruggebracht, doch op veler verzoek werd een zodanig alternatief
geïmproviseerd dat alle auto's na de rit bij het nieuwe hotel stonden. In
een vrij grote colonne kachelden we naar St.Jean-du-Gard, doch toen we daarna
afsloegen naar de Col de St.Pierre, de eerste hucht van de Corniche des
Cévennes, werd het veld snel uiteengeslagen. Na de klim zat ik tamelijk
achterin, maar op vals plat en gevarieerd terrein vloog ik snel weg van wat er
om mij heen zat.
Ik was dan ook alleen toen ik het bordje van de Col de l'Exil
naderde. Daar kwam net een mannetje uit een zijpaadje de weg op. Dat drentelde
daar wat rond, blauwe kiel, wit strohoedje op, knoestige stok in de hand. Ga
weg, Frans boertje, loop door, want ik wil mijn fiets tegen het bord zetten om
er een foto van te nemen. O, ga je niet? Nou dan fiets ik door, hoor. Zo'n
beroemde col is dit nou ook weer niet! Ik had al weer aangezet toen de man
tegen mij zei: "Zijn jullie de jongens van Tim Krabbé?". Ja, zei ik
verwonderd en nieuwsgierig draaide ik bij. Ik beantwoordde een paar vragen.
Nee, ik was niet de eerste en ook niet de laatste. Bart Veldkamp was er niet
meer bij, nee, want die heeft een zaakje, hè, en moest vandaag terug
naar België voor een paar criteria. Ik ben een fatsoenlijk opgevoede vent,
dus ik stelde mij even voor. Kees van Kooten, zegt hij. "Verrek, dé Kees
van Kooten!", constateerde ik terwijl ik hem nog eens monsterde. Geen wonder
dat de man me zo vertrouwd voorkwam. Ja, zei hij, ik woon hier, Deze Col Is
Van Mij.
Inmiddels voegden zich wat andere deelnemers bij ons en
maakten we foto's. Kees fietst ook, maar op de vraag van Bart Jungmann of hij
dan niet mee moest fietsen antwoordt hij geschrokken dat dat natuurlijk onzin
is, want hij is over de zestig. Veelbetekenend grijnst Arie naar mij. Of Tim al
langs was? We meenden van niet. Op dat moment stopte een Mercedes-cabrio met
Belgisch kenteken en een fiets achterop: Philip Maes die Tim als een grootvorst
over de Corniche reed. Ze moesten even weten met welke vreemdeling onze jongens
daar stonden te praten. "Dag, Tim." "Hee, Kees!" Ze kennen mekaar wel, die
prominenten! (Zie ook mijn stukje: Het Franse Boertje in
FSM)
De rest van de Corniche fietste ik alleen. Eerst nog even een
gemene hijs vanuit het centrum van het dorpje Le Pompidou de hoogvlakte op waar
ergens de Col de Solpérière ligt. Dan een schitterende afdaling
en in Les Vanels weer een prima lunch, nu in een door Vlamingen gerunde tent.
Toen ik aankwam waren Giel en de schaatsers al weer gevlogen en bij mijn
vertrek waren Pieter, Jan, Frans en Marieke net weggefietst. In het dal van de
Tarnon achterhaalde ik ze, doch de klim van Rousses naar Cabrillac bracht de
werkelijke krachtsverhoudingen aan het licht. Marieke en Jan vooraan aan het
stuivertjewisselen, Frans daar krachtig achteraan. Hij was me deze keer flink
de baas, want ik had het er in het begin behoorlijk moeilijk mee, al kwam ik
als gewoonlijk na de vijfde kilometer weer aardig op gang. Philip en Tim
passeerden ons in de klim (foto's
) en stonden boven op het kruispunt bij
Cabrillac. De drie voor mij stonden daar nog te wachten en toen ik Frans een
hand gaf wist hij precies wat ik bedoelde. Geëntertaind door Tim gingen we
pas weg toen Pieter ook boven was. Het hielp hem niet veel, want de lange
afdaling naar de Perjuret met twee stukjes vals plat nekten hem definitief. Ik
aarzelde daar even tussen wachten en doorrijden, doch besloot dan dat
solidariteit hier niet loonde, omdat het naar Meyrueis en zelfs verder nog een
heel eind dalen was. Dus maar gauw achter de anderen aan, "even dat gat
dichtrijden". Ze zaten telkens één bocht voor mij, maar dat bleef
zo. Ik heb ze na Meyrueis niet meer teruggezien, ondanks het feit dat ik in het
dal van de Jonte hele stukken 40 kon rijden.
Volgens mij heeft Marieke
verschrikkelijk zitten sleuren. Wat doet trouwens zo'n laatste klimmetje in de
afdaling pijn, als je zo'n stuk op het grote mes hebt gereden! Toen ik
binnenkwam bij het Grand Western Hôtel du Rozier et de la Muse stonden er
zo'n zeven fietsen, niet gek van mij. Dorst. Voor het eerst had ik mijn beide
bidons geheel leeggedronken, hoewel ik ze zojuist bij Cabrillac nog had gevuld
en ondanks dat heet water helemaal niet lekker is. Het bier was hier vier euro
per glas, maar dan heb je ook pression, moet je maar denken. Je moet er maar
wat voor over hebben om weer normaal aan het pissen te geraken. Wat was het
trouwens fijn dat je je ook even in het zwembad kon laten zakken!
Veel verhalen deden de ronde op het terras en tijdens het diner.
Bleek dat ik de gieren bij Meyrueis gemist had, waar ik sommigen over hoorde.
Het beste verhaal was dat van de filmploeg. Hun auto vertoonde in de klim naar
Cabrillac meer en meer kuren en hield er halverwege zelfs helemaal mee op. Na
enig wachten deed hij het weer even en zo bereikten Roel en Sander het
middeleeuws ogende dorpje Cabrillac alsnog. Bij hun pogingen daar hulp te
krijgen hadden ze in het uitgestorven dorp maar één persoon
ontmoet: iemand die ze een petitie liet tekenen voor een paar dorpelingen die
hun huis uitgezet zouden worden. Later zijn ze op hun uitgebreide zoektocht
naar een garage in ieder geval aan de weet gekomen wat de aard van de storing
was: iets electronisch met de pomp van de koelvloeistof, die dan prompt aan het
kotsen ging. Bij gebrek aan onderdelen is aan zo'n Japanse auto op korte
termijn niets te verhelpen. Dus hebben ze maar een flinke portie
reservevloeistof ingeslagen. En Mark maar ongerust rondfietsen omdat zijn team
spoorloos was! Nou, ja, fietsen, dat kan hij!
Naar boven
Zaterdag 14 juni.
Tour de Mont
Aigoual. De koninginnenrit, met ook nog een clubje ééndagsvliegen
er bij. Na het ontbijt in colonne naar Les Vignes, waar de gevreesde klim naar
de Causse Mejean begint. "Causse Mejan" zegt de IGN-kaart, die wel meer een
afwijkende spelling hanteert. Zou dat nu Occitaans zijn, of is het de Franse
slag? De klim, waarvoor we flink bang waren gemaakt, is inderdaad knap steil.
Maar ach, dat wist ik al zowat vijfentwintig jaar. In een vakantie in dit
gebied in de oertijd van De Renner heb ik de Causse Mejean al eens
uitgeprobeerd. Dat was ten tijde van de legendarische bosbranden in de Gorges
du Tarn toen we vanaf onze camping complete oorlogstoestanden waarnamen met
brandweer- en legercolonnes op de weg en met blusvliegtuigen in de lucht. Dat
waren toen ook hete tijden. Maar, terug naar de klim. Ik wist inmiddels al dat
de eerste vijf klimkilometers nooit mijn succesvolste zijn. In dit geval was de
nabijheid van Tim daar mede debet aan. Ik denk dat ik de deelnemer ben die hem
al klimmend de meeste citaten uit zijn werk heb toegeslingerd. Ik moest ze soms
nog herhalen ook, omdat ze aan zijn verkeerde oor gericht waren. Pas toen het
klimwerk wat gevarieerder werd kon ik met Jan Hoogsteen, die ik in de klim als
richtpunt had gebruikt, op de inhaaltoer gaan. Hij verdween uit mijn
gezichtsveld toen ik mijn bril maar eens weer moest opzetten; dat doe ik
veiligheidshalve meestal niet fietsend, en zeker niet in een afdaling. In de
klim zet ik dat hulpstuk namelijk vaak af, eigenlijk een onzinnige maatregel,
want het ding raakt toch wel besmeurd. Ongemerkt waren we op de hoogvlakte, een
beetje een maf gebied. Soms zo vlak als de Bethunepolder bij Maarssen, dan weer
met hellingen voor het binnenste blad. Bij een eindeloze klaprozenzee stond Tim
met de filmequipe. Foto's, dus. Verderop werd ik al fotograferend, want wat heb
je daar mooie inkijkjes in de Gorges de la Jonte, door enkele collega's
voorbijgezoefd. Helaas stond mijn lens dan op het dal gericht, want wat had ik
graag een Timkrabbéshirt van dichtbij in volle daalactie digitaal
verschalkt. Ach, je kon hier ook niet zo makkelijk regisseren; we moesten maar
hopen op de foto's van Tim. Die heeft er deze week, denken wij, 1943 gemaakt,
precies zijn geboortejaar. Na Meyrueis klom ik ongeveer gelijk met Pieter op
naar de Causse Noir. Nou ja, weer het oude liedje: hij fietste voorlopig weer
bij mij vandaan. Maar dan zagen we Philip. Even later trof ik Pieter aan bij de
mopperende Vlaming die weer een afloper had. Ja, dan heb je deze jongen nodig,
want die heeft nog een ouderwetse lange pomp. Gedrieën gingen we verder,
doch einde klim, de kaart zegt dat het hier Haut de la Côte heet, uit het
bos komende had ik de maten al weer ver achter me omdat de laatste kilometer
niet meer echt steil is. Ik heb dus toch nog één kwaliteit! Bij
de lunch in Lanuéjols duurde het even voordat ook Philip aankwam.
Lopend. Dat was een uitdaging, want Gerrit en Philip hadden gisteren die band
ook al uitgebreid onderzocht en geen scherp gevonden. Ga nou toch eerst zitten
en eten, zeiden ze nog. Maar ik bleef ongedurig tot ik het stukje glas had
gevonden. Zo, probleem gefikst, nu verder lunchen. Nou, dat duurde wat, totdat
mij bleek dat alle later aangekomenen hun dessert al op hadden en al weer op de
fiets klommen. Vlug nog even dat gebak besteld, en dan gauw verder, want de
tijd liep door en de temperatuur steeg nog steeds. In gezelschap van Pieter op
pad naar de afdaling naar Trèves die er wezen mag. Vanwege het feit dat
de Gorges de Trèvezel was afgesloten omdat er een stuk weg was verdwenen
moesten we nu naar de Col de la Pierre Plantée.
Volgens het verhaal
dat Gerrit vanmorgen opdiste ben je dan ongeveer op hoogte en is het ergste
klimmen voorbij. Pieter, van wie ik gisteren hoorde dat hij vóór
deze Ronde nog nooit een mijl had geklommen, begon weer sterk, maar toen na het
bordje van de col de helling onverwachts zijn recht hernam, knakte er iets in
hem. Het is gewoon nog vijf kilometer verder klimmen. Veel te ver omhoog, want
we zouden verderop nog weer een eind moeten dalen voor we weer op de echte
route waren. Omkijkend in de klim heb ik Pieter nog één keer
gezien, toen was ik weer alleen. Nou ja, alleen? Zwermen vliegen vergezelden
mij in de lome hitte en wisten op mij vele lekkere plekjes te vinden. Ik heb er
zelfs enkelen op hand en pols doodgemept, want zo alert als bij mij thuis waren
deze vliegen niet. Of ben ik in de hitte zo vlug? Nee, dat is meer een
eigenschap van de hagedissen die ik overal in de berm hoorde ritselen en
waarvan ik nu en dan een gifgroen exemplaar in grote haast mijn route zag
kruisen. Wat opviel is dat er hier, net als zowat overal elders, geen verkeer
viel waar te nemen. Wat zijn de Cevennen toch rustig! En kijk toch eens links,
waar je ineens op de rest van Frankrijk neerkijkt. O, ja, de uitzichtpunten die
ik op de kaart gezien had. Moesten we toch langzamerhand ergens ter hoogte van
Camprieu zijn, het plaatsje dat we vanwege de wegomlegging net niet zouden
zien.
Maar wat hoorde ik daar? Een auto naderde. Verkeer! Nee, toch niet,
het werd weer stil. Een eindje verder weer autogeluiden, al was het hortend en
stotend. Daar kwamen de filmjongens langszij, Roel en Sandder met Tim aan
boord. Hielden ze nu in om mij opnieuw door Tim te laten fotograferen? Die
foto's waren toch al uit ten treure gemaakt? Nee, de auto stopte. Of ze pech
hadden, vroeg ik. Neen, rijd maar door. Even later startgeluiden. Hij draaide
weer, kwam langszij. Foto. Verderop weer een zachte landing. Dan nog eens
langszij, foto, en vervolgens weer stil. Ik passeerde een ruisend beekje,
watervalletje, of wat het ook maar was. Verleiding, want het was bloedje heet,
doch voorlopig had ik nog wel water, dus verder gaan. Goede beslissing, want al
gauw trof ik de auto van Pascal en Gerrit aan, die na het uitpijlen nu aan het
uitwateren waren geslagen. Bidons vullen, rapport uitbrengen over de haperende
auto en dan weer verder. Fijn, want als je fietst heb je tenminste wat koeling
door rijwind. Bij de Séreyrède: daar was de Tim-auto weer. Nog
meer foto's. Ik was deze dag het meest gefotografeerde object, omdat ik exact
dezelfde gemiddelde snelheid had als de auto. Verderop stonden ze weer, niet
eens aan de kant van de weg, motorkap open, koelvloeistof bij te vullen. Die
auto werd nu wel gauw moe, zeg!
Maar, het leed was kennelijk geleden, want
na de top heb ik ze niet meer gezien. Prat Peyrot, en dan de afdaling. Ach,
sukkel, je wist toch wel dat je eerst nog een flink eind omhoog moet voordat de
afdaling begint? Ja, nu herinnerde ik het me weer. Hé, daar kwamen een
paar fietsers vanaf de top bij het weerstation. Zouden die van ons zijn? Jawel
hoor, ik arriveerde op de driesprong gelijk met Meindert, Jeanne en die Brit
uit het hotel die had gevraagd of hij mee mocht op hun alternatieve route en
die zelf de dag van zijn leven meemaakte, doch wiens vrouw het maar niks vond.
Foto's maken en verder maar weer. De afdaling kende ik nu wel, laatstelijk van
gisteren. Ik maakte me nog wat zorgen over mijn watervoorraad, want de wind in
de Gorges de la Jonte stond nu duidelijk ongunstiger dan gisteren en de
gevoelstemperatuur was aanmerkelijk hoger. Dat klopte wel, want het zeer
geavanceerde horloge van Bertjan gaf voor deze dag een maximum van 41 graden en
in de TGV beluisterde Erik de volgende dag Franse radioberichten die zeiden dat
de junirecords hier waren gesneuveld en dat de temperatuur in de Gorges du Tarn
38,5 graden was geweest. O, ja, bij Meyrueis heb ik nu wel de gieren gezien:
hele zwermen. Zag ik zo bleek?
Tien kilometer voor het einde kwamen Pascal
en Gerrit langszij om mijn bidon te vullen, doch dat was niet eens nodig
geweest. Hoogstens voor de kick dat je bevoorraad wordt vanuit de
ploegleiderswagen, want dat maakt een toerfietser zelden mee. Nee, het zat er
op. De fiets had zijn plicht gedaan, de pedalen konden er weer af. En het
baasje kon nogmaals een pilsje pakken. De vrouw van de Brit, die de hele dag op
hun boxer heeft moeten passen die ongetwijfeld Winston heet, vroeg waar we haar
man hadden gelaten. Ze bezwoer dat ze vanavond zijn fiets in mootjes zou zagen.
Naar boven
Zondag 15 juni.
De terugreis. Dat
werd het verhaal van de tien kleine negertjes, dat werden er negen. Nou, ja,
daarmee evenredig dan. Gisteren waren we ineens Philip Maes al kwijt, die
haastig was afgereisd naar zijn tandarts om ons de aanblik van zijn zojuist
afgebroken tand te besparen, want dat was volgens zijn afscheidsbriefje "geen
aanzicht". Afscheid van degenen die op andere wijze naar huis gingen en dan het
busje in. Onderweg hadden we wat regendruppels op de ruiten, doch dat mocht
geen naam hebben. Het einde van de stop bij het autowegrestaurant van Le Caylar
had een hoog Timgehalte. De afgesproken vertrektijd was al ruim verstreken en
nog had zich Brigitte niet gemeld! Er werd al over het Gouden Ei gefluisterd toen ze eindelijk weer opdaagde. Pak van ons hart. In
Montpellier was het al weer knap warm toen wij nog anderhalf uur stuk moesten
maken met een lunch en wat geslenter of oppassen op de bagage. Op zondag zijn
namelijk de bagagekluisjes gesloten. En nu moeten we niet over Franse
toestanden gaan zeuren, want later op de dag hadden we minstens zoveel last van
het feit dat onze NS-dubbeldekkers in het geheel geen ruimte voor bagage
hebben. Dat was dan na de deze keer zeer voorspoedig verlopen TGV-reis, en ook
na mijn Brusselse avontuur.
Mijn rugzakje op de rug, een tas aan mijn
schouder en een weekendtas en een plastic zak met drinken aan mijn handen,
probeerde ik de trein te enteren. Als je dan een hand in je kontzak voelt kan
dat nooit je eigen hand zijn. Neen, die was dan ook van dat Mediterrane type
met dat jasje over zijn arm dat daar in het overigens geheel lege voorportaal
tegen me aan stond te bokken. Wat een naïef rund ben ik om de portemonnee
in de kontzak te laten. Maar wat was hij voor een grote sukkel dat hij mijn
portemonnee niet meteen klemvast had? Ik zorgde nu wel, met de hand op mijn
kont, dat ik onze hele omgeving waarschuwde. Er maakte zich een geweldige woede
van mij meester. Ik had hem bij kop en kont uit de trein moeten flikkeren.
Gelukkig waren dat achterafgedachten, want voordat je zover bent heb je al een
mes tussen je ribben, ben ik bang. Nu lieten we het bij het klinisch bestuderen
van het verdere gedoe van het clubje zakkenrollers waartoe deze figuur bleek te
behoren. Heel instructief. We hadden dat artikel over zakkenrollerij zelf
kunnen schrijven dat een poos later in de Volkskrant verscheen. Op station
Schiphol ging het uitsterven verder. Afscheid van deze, afscheid van gene, en
dan de laatste akte. Nog even op twee fietsen en bagage passen terwijl de
eigenaar van de andere helft van deze spullen zijn auto even van
Schiphol-langparkeren haalde. Ik had namelijk mijn terugreis geregeld met Gert
Spijker uit Arnhem, die immers toch langs Utrecht moest. Spullen inladen, nog
vlug even een patatje, en dan naar huis. Dat werd half twee. Kater. Iets moois
was afgelopen. Maar ja, aan alles komt een eind. Gelukkig had ik het Lief
Dagboek tijdig als een soort poëziealbum laten rondgaan en zijn daarin ook
de e-mail adressen terechtgekomen. Het is met alle e-mail-verkeer nog lang
nagenieten. Dat was het dan. Ja, net als Erik verzucht ik dat ook dit verhaal
erg groot is geworden. Elf FSM columns groot. Dat krijg je als je geen redactie
vermoedt die een maximaal aantal woorden en tekens hanteert. Of zou het toch?
Dan gaan ze snoeien en lees je natuurlijk ook deze slotregel niet!
terug verslag Ronde van Tim Krabbé 2003
|