De Ronde van Tim Krabbé Fiets en Beleving

Tweede Ronde van Tim Krabbé 2004

'De terugkeer van De Renner'

Carel Helder
Artikel en foto's stonden in de Vara-gids

Aan tafel, tussen twee lege stoelen, zit peinzend een vroege renner in een lichte trui waar CYCLES GOFF op staat. Voor hem staat een schoon bord, daarnaast een mandje vol verschillende broodjes. Aan zijn gezicht te zien kan hij niet goed beslissen welke hij neemt. Ik wel, ik heb er al vier op. Iedereen kent die man hier. Het is Tim Krabbé. We groeten, hij peinst nog even verder. Artikel Vara

Boven op de hotelkamer trek ik mijn wielerspullen aan. Koersbroek, zweethemd, bretels, trui. Mijn gewone kleren gooi ik op bed. Ik kijk naar de plooien waarin ze neerkomen. Zo blijven ze liggen tot ik ze weer aantrek of tot ze bijeengegaard worden door een official ingeval ik tijdens de tocht om het leven ben gekomen. De start is over drie kwartier. Eerlijk is eerlijk: als ik deze ronde uitrijd, ben ik al lang blij.
Geleund tegen de vensterbank lees ik nog eens Tim's voorwoord in het rondeboek:

'In juni 1971 zat ik met een vriendin, wier ouders een huis in Anduze in de Cevennen hadden, op een bergje naar het uitzicht te kijken. Beneden zagen we een wielrenner verschijnen, en even later fietste hij langs, rustig en sterk, de handen op het stuur, steentjes knisperend onder zijn bandjes, 'en het enige wat hij achterliet was de plotslinge, verpletterende zekerheid dat ik ook wielrenner zou worden,' zoals ik later heb geschreven. Ik heb acht jaar als een bezetene gefietst en gekoerst, en ik heb de Col d'Uglas, zoals hij later bleek te heten, zesenzeventig keer beklommen, zonder ooit nog naar het uitzicht te kijken. Uit dat wielrennen kwam mijn boek De Renner voort, en toen dat vorig jaar vijfentwintig jaar bestond, werd het de grote eer bewezen dat dáár weer een Ronde van Tim Krabbé uit voortkwam, bedacht en georganiseerd door Gerrit Slingerland en Pascal Vergeer. Maar wat heb ik afgezien bij die eerste Ronde! Terwijl de deelnemers heerlijk op hun fietsen aan het afzien waren op mijn weggetjes, moest ik toekijken vanaf heuveltoppen en vanuit auto's. Dat was een marteling. Maar ik had geen conditie meer, en ik woog 108 1/2e kilo. Een goed gewicht om iedereen een mooie duw te geven bij de start van de tijdrit op de Col d'Uglas, maar niet om hem zelf op te fietsen. De dag nadat ik thuiskwam kroop ik voor het eerst in jaren weer op de fiets. Daar is een jaar van niets ontziend trainen op gevolgd - de Uglas, en al die andere prachtige weggetjes in de Cevennen hadden opnieuw mijn leven veranderd. Ik wens de deelnemers aan de Tweede Ronde van Tim Krabbé het heerlijke afzien toe waar ik vorig jaar zo naar verlangde. ' Tim Krabbé bereidt zich voor.

Intussen, terwijl hoog boven het Grand Hotel de France in Meyrueis de Madonna toekijkt, hebben de renners zich op het terras, in het verlengde van de begin- en eindstreep van 27 jaar geleden (nu een zebrapad), verzameld voor de slotronde. Dat is De Tour de Mont Aiguoal, de bijna 140 kilometer lange réprise van de wedstrijd waar Tim's boek 'De Renner' op is gebaseerd. Dertig kilometer lang slingert de route kalm door de Gorges de la Jonte, vals plat naar beneden tot les Vignes, dan rechtsaf, de rivier over, onmiddellijk een gemeen steile klim naar Causse Méjean, hoogvlakte, om zo in een lus terug te keren naar Meyrueis, weer steil omhoog en naar beneden, waarna de ronde eindigt met de beklimming en afdaling van de Mont Aiguoal, met 1567 meter een van de hoogste bergen van de streek. Al met al, zeggen renners die het weten kunnen, ga je meer omhoog dan op Alpe d'Huez. Dan klikken de schoenen in de toeclips en peddelt het peloton weg. De bidons zijn gevuld, reepjes en bananen bubbelen in de achterzakken, iemand werpt een laatste, snelle blik op het routekaartje. Tim schuift voorbij in het spoor van drie andere renners van Cycles Goffes. Een van hen is Maarten. Hij steekt even een hand op.

'De schrik van het peloton'(Midi Libre) zelf blijkt het fietsen nog niet verleerd: de meeste deelnemers zouden zijn shirt deze week vooral van de achterkant zien. Krabbé, van huis uit al geen grote drinker, deed de deksel op de snoeppot en viel in dit afgelopen jaar van 'niets ontziende training' dertig kilo af. Hij is slank, gebruind, en oogt als een op en top sportman - van 61. Alleen de wenkbrauwen zijn even fors als op de foto van het laatste omslag (2003). Daaronder kijken helder buine ogen vaak met verbazing en soms in ontroering naar alles wat hij met het boek heeft weten los te maken: een kleine veertig Nederlandse wielerenthousiasten die, 26 jaar na de eerste uitgave, huis, haard en werk voor een week achter zich hebben gelaten om 1200 kilometer verderop vijf dagen lang in een langerekt peloton over de wegen te kronkelen waarop hij tussen 1971 en 1980 zijn wedstrijden en trainingsritten reed.Tim Krabbé en Kees van Kooten De étappes hebben namen gekregen als 'Tussen Gieren en Graniet', De '12-collentocht', 'Col d'Uglas' (met als vertrekpunt de schrijver's veelbeschreven trainingstijdrit), 'Corniche de Cevennes' en deze dus, De 'Tour de Mont Aigoual'. De gemiddelde lengte is zo'n 115 kilometer, al is er vaak ook een kortere route mogelijk. En zeker is het waar wat Krabbé in zijn voorwoord schrijft: de weggetjes zijn inderdaad prachtig. Het gaat langs zilveren riviertjes in kloven waarboven imposante rotsformaties torenen, langs bermen met paarse orchideeën en helgele distels, over hoogvlakten waar de zon veegt over velden vol klaprozen en de brem op de berghellingen doet opvlammen. We passeren watermolens en watervallen, met klimop overgroeide spookdorpen en halfingestorte, vele honderden jaren oude boogbruggen. Op de Perjuret, waar aan de andere kant een witstenen monument herinnert aan Roger Rivière's val in het ravijn, hoedt een herder met staf en hond zijn schapen, over anders doodstille wegen lopen padden en kronkelen slangen. 'Maar het mooist,' zegt Maarten, 'is natuurlijk dat je even deel uitmaakt van de mythe van De Renner.'

Hij heeft de benen stilgehouden. Elk jaar, nu al vijftien jaar achter elkaar, herleest Maarten het boek. Als hij en zijn kornuiten met hun clubje gaan fietsen wordt er altijd uit geciteerd. 'Ik zie jouw licht weerspiegeld in mijn velgen,' zegt hij. 'J'ai vue ta lumière dans mes jambes - dat is toch pure poezie. Of niet soms?' Met verve stelt hij De Renner op één hoogte met 'De Uitvreter' van Nescio, Reve's 'De Avonden', dat boek van Hermans (Kom, hoe heet het ook weer?) en 'Het Dwaallicht' van Elsschot. 'Maar dan houdt het wel op.' Hun wielerclubje hebben ze Cycles Goffes genoemd, naar de grote onbekende uit het boek (het clubhuis heet Sauna Linda: alles klopt).'Kijk', zegt Maarten, 'wij fietsen graag, maar we zijn geen fantastische fietsers. Om toch deel uit kunnen maken van die mythe van het wielrennen hebben we voor Cycles Goffes gekozen. Tim is Tim. Die kun je niet worden. Maar de renner van Cycles Goff, vinden wij, wordt als een romantische held neergezet in dat boek. Hij blijft anoniem, dat is ook zo mooi. Af en toe doemt hij op. Je ziet hem soms gekleefd tegen een berghelling, op het laatst zit hij uitgepierd op een stoeprand, net als wij. Dat boek, dat doet iets met een aantal mensen in ons clubje. Het is een eigen leven gaan leiden. Ik weet niet of je de flaptekst van Nico Scheepmaker kent? Daar zegt hij dat het aan de ene kant literair meesterwerk is dat om die reden over honderd jaar nog gelezen zal worden, en aan de andere kant het beste sportboek in de Nederlandse taal. En ik denk zelfs dat het nog wel wat verder gaat. Ik kan me niet voorstellen dat het in enige andere taal niet gewaardeerd zou worden. Het is een boek dat je keer op keer kunt blijven lezen. Misschien komt het ook door de melancholie en het onbereikbare dat erin zit. We hebben allemaal onze verlangens en wensen. Toch?' Tim's prachtige, klassieke shirt, ontworpen door de graficus René Knip, is hem door Maarten geschonken. Die glijdt weer langzaam naar voren. Giovanni Buratin. Mooi frame'pje. Verdiend relaxen

In Delft, vertelde Tim gisteren, bestaat er nog zo'n groepje liefhebbers: 'Wij trainen ons suf,' ook naar een citaat uit het boek ("'Mannen,' heb ik een keer in de kleedkamer gezegd, 'ik train me suf'"). Aan de vooravond van deze koninginnerit hield hij een lezing over 'Feit en fictie van De Renner': 'Er wordt me vaak gevraagd of ik echt wielrenner ben geweest, en of ik wedstrijden heb gereden. Als schrijver vind ik dat een geweldig compliment,' Het is jammer dat hij na 'De Renner' en '43 Wielerverhalen' niet meer over wielrennen heeft geschreven, maar aan de andere kant, overwoog hij, misschien had hij het zelfs bij 'De Renner' moeten laten. 'En was dat als statement wel sterker geweest.' In een aantal gevallen bleek de werkelijkheid het boek te hebben ingehaald. Zo beschrijft hij (pag. 116) een droom over de robuuste Lebusque, die in een stationsrestauratie een drinkglas opeet. Verrassend was het jaren later een krantenverslag over de Tour de France-renner Zenon Jaskula te lezen, 'een zeer gesloten figuur, wat hij goed maakte door af en toe een wijnglas op te eten.' "Hij kauwt wel goed", had Jaskula's ploegleider minzaam opgemerkt. En voegde eraan toe dat Merckx en Anguetil ook vaak hun wijnglas opaten. En hoewel 90 tot 95 procent van de feiten in De Renner Wahrheit en geen Dichtung is (gelukkig), was het verzet 43-19 dat wel ('Drieënveertig negentien. Het hendeltje van mijn versnellingsapparaat voelt als een korst op een wond'). Het is een omdraaiing van de zijn geboortedatum - 43 is Krabbé's lievelingsgetal. (Lang na het verschijnen van het boek reed de Tour de France over hetzelfde parcours. 'Sjezus,' zei Gerrie Knetemann tegen Maarten Ducrot, 'als die Krabbé hier 43-19 reed, dan is het toch wel een hele grote geweest.') Tim haalde de schouders op: 'Nou ja. Ik heb dat boek niet geschreven met het idee dat ik me later moest verantwoorden.' Een andere droom die in het boek voorkomt is die waarin hij als jongen honderduizenden guldens verdiende met sprints bij stoplichten. 'Ik deed hetzelfde',zou de Kneet later zeggen. Hij had miljoenen gewonnen bij stoplichten.

Het is een vreemde sensatie om in een boek te rijden. Je kunt je Lebusque wanen, Reilhan, de wieltjeszuiger, Sanchez, Teissonière, Tim's vriend Kléber, maar in een peloton waarin de hemden teksten bevatten als 'Wladiwostok-Scheveningen', 'Wintertriathlon 2003' en Time Out (die jongens zijn profs; schaatsprofs weliswaar, maar toch) rest me weinig keus: Despuech. "Na één kilometer: demarrage van een miniscule renner met een zwarte ragebol: Despuech. Flauwekul. De wedstrijd duurt honderdveertig kilometer. Despuech is gek. Despuech onderstreept alleen maar dat hij kansloos is. Dat weet hij zelf ook, maar het is waar: hij moet kiezen tussen in de achterhoede eindigen na geschitterd te hebben en in de achterhoede eindigen zonder geschitterd te hebben. Nu denken enkele tientallen renners het woord Despuech en langs de kant zullen mensen voor hem klappen".

Tien kilometer later zullen alle renners over me heenkomen, 'als een sleepnet over een te kleine vis.' Het enige wat ik nu nog hoef te doen, is de verwachting waar maken en als laatste aan komen. In het spoor van Meindert, een fenomeen dat meerijdt ondanks de ziekte van Bechterew, en Jeanne, een frêle klimster met de benen van een topmodel, is dat geen straf. Uitgewoond bedank ik ze voor de lift.

Tim, die de sprint deze keer wel zou winnen, is dan al uren binnen. 'Het viel me mee dat ik het atletisch makkelijk aankon,' vertelt hij alweer fris achter een biertje. 'Ik heb de hele week geen korte route hoeven te rijden. Maar mijn klimcapaciteiten waren wel aanzienlijk minder groot dan ik had verwacht. Ik heb veel meer moeten staan dan vroeger. Toen stond ik bijna nooit.' Wat is hem opgevallen? 'Een van de wonderlijke dingen van vandaag was dat ik de klim naar Camprieu met zes man reed, net als in het boek. Een ander dat ik me helemaal niets meer uit die wedstrijd kon herinneren. Ik heb me verbaasd over de schoonheid van het landschap. Ik denk dat ik, als ik het niet had geschreven, veel meer had geweten. De fantasie had de werkelijkheid weggevaagd. Terwijl voor de andere deelnemers het omgekeerde gold: wat zij zich hadden voorgesteld door het boek, zal deze tocht hebben veranderd. Alles ziet er anders uit dan je hebt ingebeeld.' Hij is er 'wel trots op' dat hij dit teweeg heeft gebracht. 'Het was prachtig. Het was perfect georganiseerd. Sommige deelnemers lijken het boek beter te kennen dan ikzelf. Ik zou niet weten wat ik, wat deze ronde betreft, verder te wensen heb.' Hij glimlacht. 'Alleen dat ik volgend jaar 25 jaar jonger ben en iedereen het snot voor de ogen rijd.'

Op de ontbijttafel is een gedicht van Huub van der Lubbe blijven liggen:

THE RAPTURE
We zoeken het dit keer in de Cevennen
Dat je het vindt is daarmee niet beweerd
Wanneer het zich zo makkelijk liet plannen
Had half Amsterdam-Zuid hier gekampeerd

Eerst moet je er vijf dagen voor wielrennen
Alert zijn als er wordt gedemarreerd
Je lichaam weer aan bergen laten wennen
En dalen dat het sneller nog verleert

Maar dan, opeens, bergop word je gewaar
In groen, in trillend geel, in blauw erboven
Hoe je totaal doorstroomt van het moment

En even weer is alles zonneklaar
Hier was het om, dit nu. Niet te geloven
Dat alles goed is zo, en jij er bent

 

Terug Verslag Ronde van Tim Krabbé 2004