|
|
Le tour du Mont Aigoual
Rob Jamin
In het steegje naast het hotel geef ik een van mijn renners de laatste spuit. Het is de afrondende handeling van een zorgvuldige voorbereiding. De hele week ben ik bezig geweest om de ploeg te prepareren voor vandaag. De ronde van de Mont Aigoual, het hoogtepunt, de beslissende rit, de scherprechter, het traject waarop de scheiding valt tussen de mannen en de jongens. Terwijl Pieter zijn broek omhoog trekt, zie ik Rudi. Hij is van de Pomme-de-Terres-ploeg en hij kijkt me smekend aan. Ja, jij wilt ook een spuit, dat begrijp ik, beste Rudi. Jammer, maar dat gaat niet door. Als je ploegleider zondagavond was ingegaan op mijn aanbod, en niet had gezegd dat hij mijn pakket te duur vond, dan had jij een paar fijne spuiten van me gekregen. Jammer, maar helaas. Even overweeg ik of ik hem een nepspuit zal geven, met wat zout water. Of beter nog, een flinke jens valium. Nee, toch maar niet. Van die nepspuit gaat hij misschien toch beter rijden, omdat hij denkt dat hij een wondermiddel heeft gekregen. En als hij tijdens een afdaling in slaap valt, dat zou niet best zijn. Het verlies van een vijandige renner zou ik niet betreuren, maar er is natuurlijk kans op een onderzoek van de recherche. Dan ben ik wel een van de verdachten. Nee, laat maar zo. ‘Rudi, het spijt me, je zult het op eigen kracht moeten doen.’ Hij slaakt een vloek, en loopt wijdbeens, wat waggelend naar het fietsenhok. Hij is zo’n krachtpatser, het soort jongens dat vroeger in de haven werkte, of als sjouwer in de bouw. Beetje dom, maar goed te gebruiken als knecht. Kan de kopman uren uit de wind houden, brengt hem terug als hij is lekgereden, en is ook niet te beroerd om een dreun uit te delen. Eergister zag ik bij het aan tafel gaan dat hij in het gedrang zijn elleboog keihard in de zij van JeanLouis zette, de grote kanshebber van de Hunkemöllers. Net niet gebroken, maar toch wel flink gekneusd, schatte ik van een afstandje. We hebben JeanLouis niet meer gezien, van voren.
Ik hoop dat ik Leontien niet te veel testosteron heb gegeven. Gisteravond was ze wel erg druk; op een gegeven moment joeg ze dwars door de eetzaal de hond naar buiten. Ze had wel een punt, met die hond. Zo’n beest dat bij elke gast komt proberen of er nog wat valt te halen. Legt met een trouwhartige blik zijn kwijlende muil zo in je schoot. Ik heb weinig mensen gezien die dat prettig vonden, maar niemand die er iets van durfde te zeggen. Je bent een gast, per slot van rekening. En Pascal en consorten willen natuurlijk volgend jaar weer terugkomen.
De groepsfoto. Ik heb Marco op het hart gedrukt om zijn wangen goed in de make-up te zetten, anders vallen zijn geweldige puisten te veel op. Ik had niet verwacht dat hij zo heftig zou reageren op de anabolen. Ik had de dosering aan de lage kant gehouden, maar ja, je weet dat zoiets kan gebeuren. Zelf vond hij het niet zo erg, denk ik. Hij heeft er wel wat voor over om te winnen. Na de foto zal het starten gaan beginnen. Eerst zijn de mannen van Hästens aan de beurt. Van hen heeft niemand wat te vrezen. Hebben deze week nog geen deuk in een pakje boter gereden. Een kopman van tweeënzestig. Ik heb hun Stanley vijftig euro gegeven om te zorgen dat ze te vroeg van start gaan. Hij doet het prima. Hij zeurt als een klein kind dat hij gretig is, en dat zijn makkers voort moeten maken. Intussen ga ik bij Gerrit staan en vraag hem of de route linksom gaat in een echte acht, of dat er na de pauze rechtsom wordt gereden. Ik wijs onduidelijk op het kaartje dat ik voor zijn ogen houd. Het lukt, hij is afgeleid en heeft niet in de gaten dat er al wordt gereden. Ik luister amper naar zijn uitleg, en zeg dat ik het door heb.
Dan vertel ik mijn mensen dat wij moeten gaan. We flitsen weg, het dorp uit. Ik weet zeker dat de andere ploegen nu zo onrustig worden dat ze allemaal te vroeg van start gaan. Mooi, dat deel van het scenario is gelukt. Wij rijden de D996 op, de Gorges de la Jonte. Jammer dat we niet kunnen genieten van het uitzicht. Grillige rotspartijen steken loodrecht omhoog uit de begroeiing. Als je tijd had om te kijken zou je de lagenstructuur kunnen zien in het gesteente, en hoe glad en verweerd het is. Het moet heel zacht zijn, want hier en daar is er zoveel geërodeerd dat er een soort zuilen zijn overgebleven. Sommige daarvan zijn getailleerd. Maar nee, we jagen zonder kijken voort. We dalen licht, de snelheid loopt daardoor flink op. Maarten heeft een pleister bij zijn elleboog waaruit langzaam amfetamine vrijkomt. Door de huid heen wordt het snel opgenomen. Het geeft een enorm goed gevoel, alsof je de hele wereld aankunt, en je voelt nauwelijks vermoeidheid. Perfect spul, dus. Hij sleurt voorop. We zijn bij le Rozier Peyreleau voor we het in de gaten hebben. Rechtsaf, de Gorges du Tarn. Het schijnt te zijn uitgeroepen tot een internationaal natuurmonument, onder de hoede van Unesco. Jammer, maar helaas. Maarten blijft sleuren. Dus die rotsen en het kolkende water, dat is aan mijn mensen niet besteed. Trouwens, hun oordeelsvorming gestoord, ze hebben niet eens in de gaten dat ze in een prachtige omgeving rijden. Ook de pittoreske tunneltjes ontgaan hen. De zon komt door, niet heel krachtig, net lekker. De stralen die langs de rotsen vallen, vormen een fraai patroon. Les Vignes komt in zicht, de brug over, dan begint de steilste klim van de dag. We bestijgen de Gorges om dan uit te komen op de Causse Méjean. De metertjes slaan uit tot boven 10%. Maarten gaat er vandoor, hij is niet meer te houden. Het heeft geen zin om hem nog tactische aanwijzingen te geven, hij is te ver heen. Het zal de dood worden of de gladiolen. Óf hij rijdt zich in de vernieling à la Tommy Simpson, óf hij stort vlak na de finish in elkaar. Ik heb de zaak redelijk kunnen doseren, dus ik reken erop dat hij prijs rijdt.
Ik ga even naast Leontien rijden, het schuim staat op haar mondje. Arme meid, misschien heb ik haar gewicht een beetje overschat en heeft ze iets teveel binnen gekregen. Ik veeg het schuim weg zo goed en kwaad als het kan. De klim is echt loodzwaar, maar we draaien gewoon op de grote molen. Pieter cirkelt zorgzaam om Leontien heen. Volgens mij heeft hij een oogje op haar. De ene keer schiet hij vooruit, even later laat hij zich terugvallen om haar gezelschap te houden. Bij hem zijn de anabolen perfect aangeslagen, er is niets aan hem te merken. Af en toe kijk ik opzij. Het uitzicht is adembenemend. Bijna bij iedere pedaalslag kun je zien dat je stijgt, zo steil is het. Aan de overkant steekt een gebouw met een fraai puntdak hoog boven de vallei. Zou het een klooster zijn geweest? De geestelijkheid heeft altijd goed voor zich zelf weten te zorgen. Later zie ik op de kaart dat het St Rome de Dolan heet, zou dus heel goed een religieuze nederzetting kunnen zijn. In de wei schurken twee paarden teder tegen elkaar. We rijden op een markante rotspartij af. Het gesteente promineert als de fundamenten van een verdwenen kasteel. Naderen we het einde van de beklimming? Nee, we worden voorlangs geleid, door een haarspeld en dan ligt er weer een traject omhoog. Zoals een moeder haar kokhalzend kind steeds opnieuw een hapje aanbiedt: ‘Goed zo, kindje, het is voor je bestwil.’, zo legt de flank van de Causse na elke bocht trouwhartig een nieuw stuk wegdek voor ons klaar. We stampen en zweten in een gestaag tempo. Stuk voor stuk gaan we door de persoonlijke grenzen heen. Boven staan de Mona’s in de schaduw van een boom uit te rusten. Een van hen, Hendrik, daalt zo snel dat hij een spoiler boven zijn achterwiel heeft gemonteerd. We hebben even nodig om te recupereren, en doen dat efficiënt door tevens te urineren. Verder gaat het, de Causse op. Het landschap glooit licht, het hoogteverschil is helemaal niets vergeleken met wat we net hebben overbrugd, maar na de zware klim kost het toch wel moeite. Precies waar Pascal het had voorspeld, ligt grit. We zijn gewaarschuwd en komen er veilig langs. Dan volle bak verder. Even later komen we aan bij Cor met zijn tafeltje. Hij staat met zijn rug naar een schitterend vergezicht van glooiende hellingen die als coulissen achter elkaar liggen. Persoonlijk vind ik deze ravitaillering aan de vroege kant in de koers. Maar ja, overleg met ploegleiders is er ook in de grote koersen nauwelijks. Wij hebben alle tijd. Grijnzend zien we wat trosjes renners verbeten doorstomen. Ze keuren Cor en zijn tafel geen blik waardig. In verbeten stilte stampen ze door. In de gauwigheid herken ik Bolo, Arnold, Geert-Jan, en misschien Michael. Even later gaan we verder. Bij een venijnig klimmetje worden we voorbijgereden door de Mona-toetjes. Ik lach in mijn vuistje. Ze denken echt dat ze een kans hebben. Dan komen we bij de afdaling. In mijn oortje hoor ik dat Maarten bij het hotel is aangekomen. Hij is een uur te vroeg voor de lunch. Perfect, mijn scenario komt precies uit. Wíj hebben erop gerekend dat we niet kunnen eten. Maarten is al twee dagen in hongertraining, maar de andere ploegen zitten met een probleem. Blijven ze wachten tot het déjeuner wordt geserveerd en verliezen ze kostbare tijd, of gaan ze door zonder eten. In beide gevallen komen ze in problemen.
Bij Caranc zijn we naar rechts gezwenkt, we rijden nu op een dalend stuk van de Causse, tussen korenvelden. Het graan ruikt zwaar en zoet, met een scherp randje, de geur dringt diep door in onze verdolde breinen. Langs de weg ligt een strook met veldbloemen. De klaprozen staan prachtig in bloei, ze deinen wat heen en weer op de wind. Door onze wimpers lijkt het alsof er tien rijen toeschouwers speciaal voor ons een wave doen. We passeren een kudde schapen. Ze zijn net geschoren, van de opbrengst is de herder zelf ook naar de kapper geweest. Tevreden begin ik aan de afdaling. Een van de mooiste van deze week, ruime bochten, brede rijstroken, we kunnen dus voluit gaan. Eigenlijk moet je regelmatig schuin naar achter kijken, dan kun je de Gorges goed zien. Maar bijna niemand durft dat. Ons kan het niet schelen, we zijn prettig high, de kans op een val lijkt even groot als winst bij de postcodeloterij. Dus we kijken af en toe om. Het is echt een plaatje. Dankzij mijn voorbereiding heeft geen van ons angst, we gaan voluit, meer dan 60 aan het uur. We zwieren door de bochten, het is gewoon een feestje.
Beneden in Meyrueis is er voor het hotel een grote chaos. De lunch wordt pas over een half uur geserveerd. De Pomme-de-Terres, de UCI’s en de Sukkes staan op het terras te delibereren. We horen een enkele vloek. Ik vang op dat er drie Hunkemöllers zijn doorgereden, op jacht naar Maarten, en dat Jan-Kees in zijn eentje daar weer achter zit. Dat kan nog spannend worden. Ik hoop dat Maartens voorsprong groot genoeg blijkt te zijn. Onze ploeg loopt eendrachtig door naar de kamer, waar de reepjes en koeken klaar liggen. Snel proppen we wat weg, we proberen de grijns van onze gezichten te houden en we gaan. Maarten vertelt in mijn oortje dat hij al halverwege de Aigoual is. Ik instrueer hem om de eerste fase van plan B in werking te stellen. Dat is: de pijl naar rechts in Camprieu afrukken en in de berm gooien. Hij voelt zich goed, zegt hij. Ik vertel hem maar niet dat als hij de ronde wint, dat hij dan ook als eerste van de hele week aankomt. Dat zou misschien teveel spanning bij hem oproepen.
We zetten de klim in naar Roquedols. Ik heb een van de oortjes uitgeleend aan Winsemius. Hij staat voortdurend verbinding met de ANWB, zijn reisverzekeraar en de garage waar zijn auto naar toe is gesleept. Er is een probleem met de elektronica van het ding. De motorkap veerde steeds wijd open en belemmerde dan het zicht. Hij heeft nog geprobeerd om hem dicht te houden door er een grote steen op vast te binden, maar toen trad de startonderbreker elke vijf minuten in werking. Nu heeft hij zijn PDA vastgebonden op zijn stuur, want men wil voortdurend gegevens van hem hebben. De verzekeraar heeft de geboorteplaats nodig van zijn vrouw, de ANWB kan niets zonder de postcode van het hotel, en de garage wil het gironummer van zijn dealer in Amsterdam. Terwijl hij rijdend kantoor houdt, trekt Pieter hem trouwhartig voort. We hebben een paardentuig geleend bij een van de boeren die we zijn gepasseerd. Pieter heeft het omgegespt, een van de leidsel is drie keer om hem heen gedraaid, verder moesten we een beetje sjorren, maar nu werkt het perfect. Bij het dalen naar Lanuejols is het gelukkig niet meer nodig, Winsemius kan zijn telefoon uitzetten en we maken Pieter los uit zijn tuig. De daling naar Trèves is adembenemend. We houden ons in en kijken voortdurend naar rechts, in de kloof. Miljoenen jaren sediment ligt in dikke lagen voor ons, de krachten waarmee het later is omhoog gestuwd, zijn onvoorstelbaar. Wonderlijk hoe de natuur aan zichzelf genoeg heeft, in schoonheid èn als verklaring.
We beginnen aan de kern van de etappe, de klim naar de Mont Aigoual. Een VW-bus passeert ons in razende vaart en komt tot stilstand met gillende remmen. Cor stapt uit met een bakplaat vol appeltaart, zo lijkt het toch nog of we een lunch hebben gekregen. Snel stapt hij weer in, anders mist het halve peloton de tweede ravitaillering. Een klim van negenentwintig kilometer, is ons voorgehouden. We stellen ons in op een paar uur doorwerken. Het lijkt eerder een kwestie van geduldig volhouden dan van ernstig afzien. Na een paar kilometer komt een sedan met Nederlandse platen voorbij gereden. De bestuurder toetert heftig en zwaait wild met zijn linker arm uit het raampje. Het is onze ploegmaat Terpentijn. Hij heeft een blessure, en kan niet rijden. Hij maakt zich verdienstelijk door actiefoto’s te maken. Maar zijn belangrijkste taak is op de plaatsen waar veel grit ligt. Onmiddellijk na onze doorkomst veegt hij de rijsporen weg die geleidelijk zijn ontstaan, zodat het grit weer gelijkmatig over het hele wegdek is verspreid. De ouderwetse takkenbosbezem uit de fietsenschuur van het hotel is er perfect voor. Het werkt uitstekend. Een van de Sukkes rijdt later lek, en bij Marlène wordt zelfs een stuk van zo’n vijf centimeter uit het loopvlak van haar achterband weggeschaafd. Maarten meldt in mijn oortje dat hij aan het eind van de laatste daling is, en dat hij Jan-Kees ziet aankomen. Ik adviseer hem om stevig te wrijven over de pleister op zijn elleboog. Dan komen de laatste restjes amfetamine in één keer vrij, en zal hij geen enkele vermoeidheid meer voelen.
Wij kunnen het nu rustig aan doen, de strijd lijkt gestreden. We kletsen gezellig, genieten van het landschap en poseren gewillig voor Terpentijn. In Camprieu zien we Machiel. Over hem heb ik behoorlijk in de rats gezeten. Weliswaar is hij een vrije rijder zonder ploeg, maar hij is erg goed, èn hij is arts. Hij is leider in drie klassementen van de Jonte-race: 30+, 40+ en 50+. De Jonte-race is zes keer op en neer tussen het hotel en le Rozier. De race is in 2000 voor het eerst gereden, hij wordt een keer per jaar in georganiseerd verband gehouden, maar veel rijders doen het op eigen initiatief en houden elkaar op de hoogte van de prestaties. Machiel heeft alleen de klassementen van de vrouwen en die van onder 30 jaar niet in zijn bezit. Deze zijn allebei in handen van Thérèse die er helaas niet bij kan zijn, dit jaar. Machiel is natuurlijk als geen ander in staat om zichzelf optimaal te prepareren. Gisteravond heb ik geprobeerd om hem stiekem een hoge dosering laxeermiddel toe te dienen, maar dat is niet gelukt. Hij rijdt inderdaad als een speer, maar hij is toch te laat voor de overwinning.
Danzij de rijke boomgroei dringt er weinig warmte tot ons door. We rijden relaxt verder. De Col de Serevrède komt bijna ongemerkt. Door naar de Prat Peyrot. Vlak erna een skiliftje en brede trajecten kaalslag; dan een droefstemmende nederzetting. Zelfs als je fantaseert dat er sneeuw ligt, en dat er mensen in felgekleurde skikleding zitten te roken en te zonnen, dan nog is het een treurige bedoening. Twee elektriciens zijn lusteloos bezig met onduidelijke werkzaamheden. Snel verder. Op de col zelf houdt Pieter heel beleefd in, zodat ik eerste ben. Dankje, Pieter. We blazen uit en ondergaan het panorama. In de verte, of is het toch dichtbij, zien we een gier cirkelen. Plots duiken Bartje en Donald in volle sprint op uit het niets. Alsof er een premie valt te winnen. Ze rollen van hun fietsen en hijgen uit. Dat is de ware geest van het wielrennen.
We gaan verder, een adembenemende afdaling. Zo’n brede weg hebben we nog nergens gehad. Gelijkmatig wegdek, zonder gaten, ribbels of grit. De metertjes gaan richting 70 aan het uur. We hergroeperen bij Cabrillac. Het traject wordt nu bochtiger en de weg smaller. Gesneden koek voor Winsemius, de adelaar van de Crossing Border. Als een steen gaat hij omlaag. Na de Col de Perjuret wordt het nog smaller, maar ook pittoresker. We vinden een goed compromis tussen snelheid en lef enerzijds en genieten aan de andere kant. D’n drog raakt langzaamaan uitgewerkt. Mensen, wat is het leven mooi. We bollen uit naar Meyrueis en gaan voor de laatste keer op het terras zitten. Maarten heeft inderdaad de kop weten te houden en de overwinning behaald. Proficiat. Jan-Kees wordt een goede tweede.
Het terras is geleidelijk volgelopen, sterke verhalen schieten heen en weer boven koude glazen bier. Doodvermoeid en uiterst tevreden kijken we terug op een zeer geslaagde week. Dan, volkomen onverwacht, komt Hij aanrijden. Er is geen twijfel mogelijk, daar is De Renner. Tim heeft hem geportretteerd in een boek dat we allemaal hebben gelezen, dus we herkennen Hem meteen. Het was weliswaar een roman, een boek waarin de schrijver niet de slaaf is van de werkelijkheid, doch de baas van het verhaal, maar dit móet Hem zijn, het kan niet anders. De helm iets scheef op de schedel, het bekken wrikkend op het zadel. Van drie kanten wordt er behulpzaam geroepen: ‘De finish is verderop!’ Traag peddelend verdwijnt Hij in de verte.
Meyrueis - den Haag
8 - 10 juni 2007,
Rob Jamin
|