|
|
“Kampioenen horen niet alleen te sterven”..
De laatste dag van de Ronde van Tim Krabbé. Ik zag hem tijdens de eetpauze halfweg onverwacht nog aan een tafeltje zitten. De meesten waren al weer op weg voor de laatste lus van 70 km over de Mont Aigoual. Tim zag er niet goed uit; niet alleen het feit dat hij daar nog zat, maar hij had ook een jasje aan. Jasjes worden in de koers door de ploegleider uitgedeeld aan renners, die opgegeven zijn.
Ik schoof bij hem aan. “Hoe is het Tim”?
“Nou….” Hij hield het woordje lang aan, zoekend naar de juiste bewoordingen om zijn toestand te beschrijven.
“Mijn zitvlak is helemaal stuk, en mijn benen zijn ook niet veel meer”.
Iedere wielrenner weet, wat een kapotte kont betekent: het onvermijdelijke en definitieve einde.
“Dus je doet de tweede lus niet meer”, stelde ik vast, maar nog wel met een vraagteken.
“Jawel; het zal wel niet makkelijk gaan, maar ik doe hem wel”.
Juist omdat hij geen nadruk in dat zinnetje legde, wist ik dat hij het ging doen ook.
“Jij gaat toch ook nog wel”? Verlegde hij onmiddellijk de aandacht naar mij.
“Nee, ik heb vanochtend helemaal genoeg gehad; het is klaar”.
“Met de laatste groep mee gegaan, de snelle mannen dus”.
“Maar dan kon je de eerste 30 km lekker warm draaien in het wiel”!
“Het tempo lag al wat te hoog, en bovendien te strak; ik moet door intervallen erdoor komen”.
Ik deed mijn verhaal
Bij de klim was ik er meteen af , en hoopte eigenlijk, dat ze boven niet zouden wachten.
Die wens leek uit te komen. Boven stond een busje, waarin ik verzorger Erik ontwaarde met een fototoestel.
Goed moment om mij nu vast te leggen, dacht ik nog. Het voelde toch als “laatste in de koers”, en ik accepteerde de situatie. Mooi lesje bescheidenheid….
Even later zag ik toch mijn ploegje langs de kant staan, en jawel hoor, zij wilden best even wachten tot ik geravitailleerd was.
Het ging voortdurend vals plat omhoog, en geleidelijk aan moest ik steeds dieper tussen de kabels om er bij te blijven. Telkens als we weer een flauwe bocht naderden, beloofde ik mijzelf, dat het daarna vlak zou zijn. Bij de zevende keer brak ik en zag honderd meter voor mij ook Albert Ruigrok loslaten. Meteen daarna werd het vlak en ietsje naar beneden lopend.
Ik ging een poging wagen, misschien viel het stil of keken ze nog eens achterom. Albert had met een sprintje net kunnen aansluiten, en ik kwam al tot 50 meter.
Ik hoopte, dat ze niet zouden gaan rondrijden, en zag dat ex-prof Thijs Zonneveld op kop bleef zitten. Was dat beter?
Kilometers lang hing ik tussen 50 en 150 meter, hopend op even stilvallen of definitief doortrekken. Het zou toch te gek zijn als ik nog terugkwam. Hadden ze wel gemerkt, dat ik eraf was? Waarom keek er niemand om?
Zouden ze dan wachten uit mededogen met zo’n oude krijger? Liever niet!
Ik dook nog wat dieper met mijn hoofd tussen de kabels, en wist, dat ik het nooit zou opgeven.
We passeerden eerder gestarte collega’s, die na de sneltrein van Thijs verbaasd naar de losgeslagen wagon erachter keken.
Later op het terras hoorde ik, dat ze weddenschappen hadden afgesloten of ik het zou halen.
Kilometers verder begon de echte afdaling naar Meyrueis, en wist ik dat ik de laatste 100 meter ging dichtmaken. Helaas dook er een auto tussen ons in, waardoor ik pas bij de finish werd opgemerkt door mijn ploeggenoten.
“Hee, ben je er al”?
“Ja, al eerder, maar er zat een auto tussen”.
Ik had niet veel meer te missen en ging een hapje eten zoeken in de zekerheid, dat het erop zat.
“Dus jij bent ook niet meer goed” stelde Tim overbodig vast.
“Dan passen we goed bij elkaar, rijden we toch samen”?
Ik zag en voelde, dat het idee van lotgenoten hem wel aansprak, en was snel om.
“OK”, prima match, twee wrakken bij elkaar”.
Toen we vertrokken bleek ik het eerste klimmetje te zijn vergeten, maar kon staand op het buitenblad gemakkelijker dan verwacht omhoog komen.
Tim had direct een klein verzetje staan en duidelijk moeite met mijn tempo.
Op slag wist ik wat er stond te gebeuren en wat ik er mee zou doen. Ik ging getuige zijn van het sterven van een kampioen en zou tot de laatste meter bij hem blijven.
Zwijgend werkten wij ons omhoog, en ik hoorde zelfs Tim’s “Krachtkreten” niet meer.
Tijdens onze trainingsdag voorafgaand aan de Ronde, waren we met vieren een “Uglas-achtig “ colletje opgereden. De Schouwenaars (Jan en dochter Claar) lieten al vlot een stukje lopen, en het werd duidelijk dat Tim en ik elkaar “de maat gingen nemen”.
Het vreemde was, dat Tim direct op mijn tempo enkele tientallen meters moest laten lopen, maar nooit verder verachterde. Hij kwam af en toe zelfs dichterbij. Later excuseerde hij zich voor het slaken van kreten, ongeveer zoals een tennisser dat doet. Ik stelde hem gerust: het was maar om de paar minuten en bovendien klonk het als een energieke ondersteuning van de inspanning. Wel wat anders dan het moeizame gekreun op de tennisbanen. Het hielp mij trouwens ook goed om zijn positie te peilen, zonder om te hoeven kijken…
Op de hoogvlakte werd het echt afzien voor Tim; bij de minste glooiing moest hij enkele meters laten lopen, en dat doet een renner nooit uit weelde. (naar Ducrot)
Tim verbrak de stilte: “Wil je niet leuk voor jezelf gaan fietsen”?
“Ik vermaak me prima; zit eigenlijk voor het eerst deze week goed om me heen te kijken”.
Zou de kampioen in stilte willen sterven?
“Als je last van me hebt, gewoon zeggen hoor”.
“Nee, hoor”.
We reden zwijgend verder.
Iemand bij je hebben is soms pas fijn als er niets gezegd wordt.
Slechts één keer verbrak ik de bedwelmende stilte op de hoogvlakte.
“Gaat het”?
“Ja hoor”.
De tweede en laatste klim begon. “Zijn” Mont Aigoual.
Er kwamen diverse snelle en minder snelle mannen in aanvalstempo langs ons af, maar wij volhardden in onze 13-14/uur.
De eerste kilometers leken hem veel moeite te kosten. Ritmewisseling of het ultieme stukzitten?
Hij beantwoordde mijn gedachten:
“Ik zit zo kapot, dat ik niet eens merk, dat ik op het buitenblad zit”.
Even later:
“Het binnenblad voelt hetzelfde als het buitenblad”.
Kreeg hij weer een beetje moed en babbels of naderde het einde?
Ik keek nog eens goed naar hem en wist het.
Tim Krabbé was dood, de schrijver, de schaker, ze waren allemaal morsdood.
Maar De Renner leefde nog en zou overleven.
IJzeren Timme
Op de heenreis had ik bij de Schouwenaars in de auto een spelletje geïntroduceerd: Renners typeren.
Elkaar aanduiden met een bekende renner, waarmee veel overeenkomsten zijn te vinden.
De eerste typering was volgens mij een makkie: IJzeren Timme.
Het leuke daarbij is dat men altijd onmiddellijk op zoek gaat naar de verschillen, maar het gaat natuurlijk om slechts een paar dominante eigenschappen, die wél overeenkomen.
Tim Krabbé heeft naast de onverwoestbare instelling van Wim van Est zeker ook de fysieke uitstraling van deze oermens en natuurlijk de krachtige kop met zware wenkbrauwen.
Later hebben we voor Jan Schouwenaar (de Italofiel) zijn idool Andrea Tafi gevonden. Hij ging na deze bekendmaking meteen als Tafi plat op de machine fietsen.
Niels Westra werd beloond met Richard Virenque, en ikzelf kreeg desgevraagd van Tim de eretitel Felice Gimondi. (ik had stiekum gehoopt op Francesco Moser, zoals een Rondecollega op de aankomstdag mij spontaan had genoemd; hij kende niet eens ons spelletje)
Op mijn hartslagmeter zag ik dat we vanzelf iets beter gingen rijden.
“Je komt er door”.
“Moh, nouja, ik geef niet gauw op”. Kwam er wat tegenstribbelend uit.
Maar ik zag, dat hij de constatering accepteerde.
We reden weer zwijgend verder, en ik kon aan zijn krakend binnenblad horen, dat hij makkelijker dicht in mijn wiel bleef. Zijn overwinning kwam eraan.
“Geen spijt, maar de rest van mijn leven pijn.”
Boven op de Uglas stond ik de wonden te likken van de tijdrit. Geen valpartij of iets dergelijks, maar veel erger: gewoon mijn beoogde tijd niet gehaald. Het belang daarvan was meteen na aankomst in Meyrueis al duidelijk geworden. Alles en iedereen is bezig met “zijn” Uglas.
Tim had mij na ons trainingsrondje al direct ingeschat op een tijd onder de 18 minuten, mogelijk zelfs een verbetering van de 50+ tijd (17.10) en ik had me daar niet echt tegen verzet.
Het grote rekenen was meteen begonnen, en de benodigde snelheid (20/uur) werd op alle vergelijkbare hellingen geoefend. Natuurlijk zou ik als trainer een heel andere voorbereiding getroffen hebben dan twee zware voorafgaande bergetappes, maar het record is een record “ in de Ronde”, en dan behoor je die ook te rijden.
Sterker nog, ik had mij allesbehalve ontzien in de voorafgaande dagen, onder het motto “als de benen het doen, dan rij ik; morgen kan het anders zijn”.
De ochtend van de Uglas waren mijn benen niet slecht, maar was ik in alle vroegte wakker geworden van een stekende hoofdpijn boven mijn linkeroog. Ik wist wat dat betekende: opkomende migraine-aanval, dus na enkele uren een half tot heel etmaal plat op bed.
Bij het ontbijt meldde ik Jan Schouwenaar dat ik de Uglas niet ging doen.
“Migraine”
Tegenover mij merkte Jelte Hiemstra fijntjes op dat hoofdpijn niet in de benen zit maar in het hoofd. Jelte is zo’n aardige, nuchtere Fries, en ik vond dat hij nog gelijk had ook.
Ik wist, dat ik het toch ging doen. Had ik niet ooit een zware MTB-training van 3,5 uur in de Ardennen met migraine volbracht?
Jawel, maar had toen ook gezworen, om dat nooit meer te doen, want het besluit om toch te gaan ontstond slechts uit een tomeloze woede, die ik liever niet nog eens wilde voelen. Nooit meer zo afgezien als die middag, maar toen ik terugkwam zakte het binnen 15 minuten…..
Onderaan de Uglas nam ik een half uur voor de start nog een pijnstiller, en de benen leken inderdaad redelijk in orde.
Direct na de start werd het duidelijk. Mijn hoofd bonkte bijna uit elkaar, en ik kon geen goed ritme vinden.
Halfweg zag ik dat mijn hartslag ook niet meer wilde oplopen, terwijl mijn benen wel meer moesten werken.
Albert Ruigrok kwam langs, en het lukte toch om te denken, dat hij niet verder wegliep.
Even later kwam Arjan de Rijk nog sneller langs.
Ik miste alle belangrijke bordjes, en leek wel “wakker te schrikken” van de aanmoedigingen van de eerder gefinishte renners, vlak voor de finish.
Het eindsprintje kwam dus veel te laat, en de tijd viel tegen.
“Liever even pijn, dan de rest van mijn leven spijt” heeft Armstrong eens verklaard na weer eens een indrukwekkend potje afzien. Ik had gekozen voor “geen spijt”, en toch iets langer voortdurende pijn, maar wist, dat morgen de voldoening zou komen. De overwinning was daar.
“Over een paar kilometer zijn we bij de ravitaillering”.
Tim was duidelijk over het ergste heen, en had “de koers” nog prima in zijn hoofd.
Het was een wat beter lopend stukje en we konden een tempo van 25/uur goed vasthouden. We raapten zowaar nog wat renners op en bij de rustplaats liepen de schattingen over het restant van de klim uiteen, maar bij ons deed dat er niet meer echt toe.
Wetend, dat Tim niet graag lang onderbreekt, stelde ik voor om weer te gaan:
“Zullen we nog wat lijken gaan oprapen”?
Zo’n opmerking houdt in, dat je zelf nog leeft, en dat was goed gezien.
Vlak voor de top zagen we een lotgenoot verkeerd rechtdoor rijden, en we riepen uit alle macht.
Uiteindelijk hoorde hij ons, en draaide om. Omdat we niet reageerden op zijn luidkeels geschreeuwde “Bedankt”, probeerde hij naar ons toe te rijden.
Ik verloste hem uit zijn lijden met een luidkeels “OK”.
Bovenop leek het nog wat door te stijgen, maar was er vooral weer een onmogelijk harde tegenwind. We zagen zeker vijf renners tegen het wegdek geplakt staan, alsof ze nooit meer los zouden komen.
Toch was er al de allesoverheersende euforie van de overwinning: “het zit erop Tim”
De Mont Aigoual was weer – en groots- bedwongen.
De afdaling werd een zegetocht. Tim liet mij een honderdtal meters gaan, maar bleef op die afstand goed bij. Ik wist dat we het nog in stijl gingen afmaken.
Bij een laatste klein huchie stopte ik even om een ingevlogen beest uit mijn helm te verwijderen. “Rij maar, ik kom zo”, riep ik toen Tim langs kwam.
Tot mijn verbazing stond hij na het eerstvolgende bochtje gewoon op mij te wachten;
HEER onder alle omstandigheden.
De afdaling naar Meyrueis bleek de mooiste van de Ronde; geleidelijk beginnend en steeds goed lopende bochten.
We zaten nu strak in elkaars wiel en onderweg passeerden we verschillende renners, waarvan een enkeling nog aanpikte.
Het werd een mooi treintje, dat in straf tempo Meyrueis binnenviel.
De laatste meters voor het hotel reikten we elkaar met een wederzijds bedankje de hand.
De Ronde van de Mont Aigoual was een van mijn mooiste wielerdagen geworden.
Juni 2008
Ger Bongers
|