|
Mijn Ronde van Tim Krabbé 2008Genieten en recordverbeteringen De zesde Ronde van Tim Krabbé en alweer het vierde jaar dat ik meedoe. Dit keer wil ik vlammen en met goede benen de tochten volbrengen. Ik heb mij goed voorbereid. Vanaf 1 maart reed ik 3600 trainingskilometers (woonwerk meegeteld). In vaak winterse omstandigheden, fietste ik in Stokkelaarsbrug, de Eilandspolder, de Joop Zoetemelk Classic, Nieuwkoop, Oudewater, langs de Linge, de Vlist en de Amstel. Bilderdam, op’t Kopje, Tynaarlo, Grebbelinie, de Vogezen en de Elzas. Ik ben er klaar voor… Zaterdag 7 juni. Meyrueis. De heenreis verloopt prima samen met Co en Robert. Vrijwel iedereen is voor 19.00 uur aanwezig. Veel bekende gezichten bij het diner. De stemming zit er meteen in. Zondag. Pascal en Gerrit verwelkomen ons met koffie en vertellen hoe de week er uit gaat zien. Het meeste staat ook in het door stagiair Erik mooi uitgevoerde Tourboek. Tim onthult het shirt. Prachtig vind ik het. Een echt Rennershirt. Gerrit vertelt over de route. Vanwege slechtweersvoorspelling gaan we een uur vroeger dan gepland op weg. Tussen Gieren en Graniet gaat het vandaag met een schitterende afdaling naar Millau en uitzicht op de grootste brug van de wereld. Na 57 km: Ravitaillering met Cor. Daar splitsen de lange en de korte route. Dreigend onweer, ik kies voor kort, dan maar een mietje. Klaprozen. Lannuéjols. Op de kruising is een verkeerscontrole. De gendarme groet mij vriendelijk. Als ik de hoek om ben spreek ik Gerrit zijn voicemail in. (Hij luistert het op tijd af, en is dus gewaarschuwd). Wilko suist langs vlak voor de korte steile klim. Hij heeft de lange route gedaan. Wilko was er de eerste editie van de Ronde in 2003 bij en was toen één van de langzaamste fietsers vertelde hij mij (dat lag wellicht wel aan het deelnemersveld). Nu is hij dat allang niet meer (dat ligt aan zijn progressie). Ik rijd ontspannen verder. Tenslotte is het de eerste dag. Na bijna 90 km ben ik weer in het hotel. De meeste deelnemers deden de lange route. Morgen zal ik dit rechtzetten. Er hebben zich al wat fietsmaatjes gevormd, zoals Mary, Anton, Nico, Pieter en Joop. Na het diner vertellen Tim en Thijs over de Col d’Uglas, de tijdrit die we dinsdag rijden. Thijs vertelt, aan de hand van dia’s, over zijn tijdrijden, hoe je dat het beste kan doen. Met zijn tips kan ik wel wat… Maandag. Vandaag verplaatsen we naar Mialet in het oostelijke deel van de Cevennen. De spullen voor drie dagen gaan met de bus, in de gekregen sporttas. Mijn fiets en ik gaan over acht collen en 1810 hoogtemeters. Een leuke klim naar Cabrillac. Afdalen en opnieuw klimmen naar de Col de Salides. Bij de ravitaillering is Cor in geen velden of wegen te zien. Gerrit regelt water en repen. Niemand weet waar Cor is. Hij is niet bereikbaar. Is er wat gebeurd? Afwachten maar. Ik klim naar de Col l’Espinas en de Col de Pas. Nieuw is de lunch op de camping in Saumane. Het is een perfecte locatie. Met uitzicht op de Gardon. Heerlijk eten. Aardige mensen. We zitten lekker in de zon te genieten aan de Gardon. Het blijkt dat Cor voor een bord ‘Route Barre’ stond en vervolgens via de omleiding hopeloos verdwaald is. Zelf zit hij er het meeste mee. En met zijn bananen. Dinsdag. De tijdrit op de Col d’Uglas. De spanning is voelbaar. Rob duwt af. Ik start, te gretig, veel te lang doortrappend op 42x17. In de eerste bocht ben ik totaal achter mijn adem. Vorig jaar reed ik daar 17 km p/u, nu 13 p/u. Lichte paniek. Eerst mijn ademhaling reguleren, tandje terug, rechtop. En weer gaan, wat stom, dit wordt niks. Nergens kom ik meer in mijn ritme. Zes minuten op de eerste 1.6 km. Ik sta op de pedalen, hijg de CO2 uit mijn longen en gier de O2 er weer in. Mary is één minuut voor mij gestart. Ik zie haar voor me, ze hoort mij aankomen en gaat opzij. Ik beul mijzelf naar boven. Bij het plaatsnaambord van het dorpje Les Aigladines is mijn tijd ruim elf minuten. Was dit over de helft? Ik hoop het. Het moet toch echt sneller. Ik kom omhoog om zoveel mogelijk lucht in mijn longen te krijgen en draai de pedalen rond. Uit een bocht zie ik ineens Berno voor me. Yes! Hij startte twee minuten voor mij en gaat in een rustig gangetje naar boven. Verder ga ik. Bij elk kilometerbordje reken ik snel. Het zal erom spannen. In de verte zie ik door de bocht een hek en mensen: daar is de finish. Op 42 x 17 ga ik de eindsprint aan. PR ja of nee? Ik weet het niet. Ik ben niet zo kapot als vorig jaar. Claartje komt over de streep. “Ben je er net?” vraagt ze? “Drie minuten” plaag ik. Ze gelooft het. Marlies komt binnen. Zij startte één minuut achter mij. Als ook Mary boven is is de ranglijst van de vrouwen bij mij bekend. Tweede! Tim zegt tegen ons allen: “Jullie mogen je tijden niet doorgeven aan elkaar. Je mag het wel aan mij vertellen”. Het is zijn bergje natuurlijk, dan heeft hij daar recht op. Pascal meldt dat er iets is misgegaan met de tijdwaarneming en dat iedereen zijn tijden aan hem moet doorgeven. Niemand gelooft hem. Het blijft spannend tot vanavond. Na de traditionele groepsfoto op de Col d’Uglas gaat het verder met Tim’s trainingsroute. Afdalen en klimmen naar de Col de Pendedis. Een prachtig gebied, met weidse uitzichten. Net als vorig jaar is de lunch met drie gangen uitstekend. Vriendelijke mensen. Als we op weg gaan doe ik mijn jack aan, het is kil. Pascal zegt: “Je gaat eerst vier kilometer klimmen”. Toch maar weer uit dat jack. Na de eerste bocht zijn mannen aan het werk. Regendruppels. Ik doe het jack snel weer aan. Het water komt steeds harder naar beneden, het lijkt wel hagel. Ik zie blauwe lucht in de richting die ik opga. Dus weg van hier. Die bui hangt hier tegen de bergen en loopt leeg. Even later is het droog, ook op de weg. Een vrouw veegt de stoep, ze ziet niet dat ik natgeregend ben. Ik zit stuk, kennelijk het gevolg van de tijdrit. Het laatste deel van de route kom ik weer langs de Col d’Uglas. Als vanzelf ga ik nog een keer naar boven. Op 39 x 27. Genieten. De energie van die ochtend is nog voelbaar aanwezig. Een groep fietsers suist in een lang onderbroken lint naar beneden. Ze roepen “Bonjour” en steken hun hand op. Ik ook. Dat is leuk in Frankrijk, fietsers groeten elkaar met een spontaan opgestoken hand. Ik moet lachen als ik de volgbus zie: Nederlands kenteken. Ik zie er zeker nogal Frans uit met mijn Le Championpak. Bovengekomen zie ik niemand, ook de ezel niet. ‘s Avonds is de prijsuitreiking door Tim. 22.27u: PR. Drie seconden van mijn tijd af. Tweede, achter Claartje. Bij de mannen wint Jelte. Niels tweede en Arjan derde. Niels reed zaterdag nog een cyclo sportive op de Mont Ventoux. Tim is 1 minuut en 8 seconden sneller dan vorig jaar! Woensdag. Rustdag. Op het programma staat de Wijnroute. Het is een redelijk vlakke route en gaat door het gebied waar wij in de zomervakantie regelmatig fietsen. Lekker ontspannen draaien en genieten. De minder snellen gaan, als elke dag, eerder weg. Dat is leuk want dan zie je op een gegeven moment de anderen, de snellen, langsrijden. Een groepje met Tim. Die doen het ook (nog) rustig aan. Later zie ik plaatsgenoot Ton: “Hee Warmond”. We zien allebei de pijl naar links niet en rijden door. Gelukkig komen we snel achter de vergissing en Ton rijdt vooruit. Ik maak foto’s van het mooie landschap. Foto’s maken doe ik onderweg bijna niet, het kost te veel tijd. Straks in de vakantie maak ik dat wel weer goed. Ik stuit op de groep Mary, Joop, Anton, Pieter en Nico. Ze hadden pech. Ik rijd ze voorbij. Anton komt langszij en erover. Ik zet aan en vlieg hem voorbij op het grote blad. Hij krijgt de slappe lach, dat had hij zeker niet verwacht. De anderen rijden het gat dicht. Ik doe niet meer mee en laat ze gaan, rustig tempo draaiend, lekker herstellen. Staan daar fietsers in het wijnveld? Ik herken Mary en Anton, ze zwaaien. Pascal en Gerrit, met strohoed, zitten daar met flessen wijn onder een grote parasol. Wat wil je drinken? Rosé, witte – of rode wijn? Leuke verrassing is dit. Met twee rosé in het lijf doe ik de paar kilometer door Anduze naar het hotel. Bijna bij het hotel zie ik een dikke onweersbui hangen. Snel zet ik mijn fiets weg, en haal de was van de lijn. Mary heeft een waslijn meegenomen, handig. Het dondert. Binnen merken ze er niets van. Ze zien alleen de zon. Voor het diner gaat Leo lopend, met Joop en Peter als begeleiding, de Col d’Uglas op. Hij is triatleet en loopt het parcours binnen het half uur. Klasse! Donderdag. Weer terug naar Meyrueis. Bij het wakker worden denk ik: “Ow, fietsen vandaag?” Het is de verplaatsingsdag en dus zal dat wel moeten. Ik besluit tot de korte route en doe het lekker rustig aan met het ontbijt. Tegen negenen ga ik op weg. Lekker licht fietsen, dat helpt. En het helpt steeds beter, ik krijg er weer plezier in. St. Jean du Gare. Helemaal lekker gaat ie. Col St. Pierre, een mooie klim, waar veel toch moeite mee hebben. Dat komt denk ik omdat je de hoogvlakte opgaat en dan last hebt van de mindere O2 in de lucht. Verschillende fietsers passeren. Op de Col de l’Exile staat een aanmoedigingsbord voor Joep (actie van Kees van Kooten? Later hoor ik dat er ook één voor Tim stond). Een zwart met witte hond, los, kijkt mij aan . Ik negeer hem. Hij blijft liggen. Op de splitsing van de lange en de korte route verzamelen een aantal fietsers, we eten wat. Ik een banaan en een flens. Mary vraagt Rafaël, de Belg, of hij weet waarom haar fietscomputertje het niet doet. Hij legt zijn oor tegen de plek waar de magneetjes elkaar raken, draait aan het wiel en luistert: het tikt. Dat betekent dat het daar goed zit. Niemand van ons wist dat dat zo werkt. Claartje en Jan, haar vader, duiken de afdaling in voor de lang route. Het veld valt in tweeën. Ik vertrek ook voor lang. De steile afdaling met hier en daar losse steentjes vergt al mijn concentratie. Ineens: zoef, windvlaag: Niels. Aan de kant, want de rest komt er natuurlijk ook aan. Het duurt even, ik herken Tim, Jelte en nog een paar. Even later in de mooie Ste-Croix-Valleé-Francaise hoor ik zingen : “Hee hee Ricky, Ricky hee hee” “Hee Thijssie”. Pijl rechtsaf: de weg gaat steil omhoog. Ik schakel direct naar 39 x 27. De steilste klim van de Ronde begint: 18 %. Ik sta op de pedalen, mijn ingewanden protesteren. Banaan en flens strijden om voorrang. Af en toe een stukje vals plat of dalen, ff ademhalen. Zonnebrand, vergeten vanmorgen. Hopelijk heeft Cor wat bij zich. De weg blijft heftig omhooggaan. Drie kilometer lang is gezegd, ik speur onder mijn hersenpan om meer informatie: waarom let ik ook nooit op bij de uitleg? Eindelijk : Cor ! Hij heeft zonnebrandcrème. Cor is trouwens helemaal toppie dit jaar, hij heeft zelfs een bak water om de handen te wassen. De beloning, de tweede Corniche de Cevennes is inderdaad schitterend. Regelmatig rijd ik met een brok in de keel bij het overweldigende uitzicht. Overal gele brem. Alles is prachtig groen, een gevolg van de regen in de afgelopen weken. Gedachten komen als vanzelf in mijn hoofd. Ik verzin een verhaal van de dag en vermaak me prima. Vlinders. Een tijd lang zie ik niemand. Ik bestudeer mijn polsen: de restjes zonnebrandcrème zijn nog duidelijk zichtbaar. Na een lange afdaling bereik ik Les Vanels. Daar is de beroemde Belgische lunch. Het mooie is er al af. Er is nog wel veel te eten. Ik neem gevulde eieren, twee haring, cocktail, aardappelsalade, garnalen, vier soorten kaas, en koffie toe. Anton twijfelt bij de haring. Dat lijkt hem, om mij onduidelijke redenen, niet verstandig. Ik moedig hem aan en hij waagt het erop. Na de lunch gaat het eerst door een dal en vervolgens de beklimming naar Cabrillac. De vallei is sprookjesachtig, ik zie als felgekleurde bloemen op de tegenoverliggende berghelling een paar fietsers gaan. Dat moeten Mary, Joop en Nico zijn. Want Anton ben ik gepasseerd, hij voert een verbeten strijd met de haring. Even later, als ik aan de overkant rijd zie ik Anton. Ik roep hem. We zwaaien. Hij gaat harder fietsen. Pieter is vandaag met Gerrit achterrijder in de auto. Hij voelt zich niet lekker en fietst een dagje niet. Vlakbij een kruispunt zie ik ze achter me rijden. Er staat een bord linksaf Mont Aigoual 7 km. Ik steek mijn hand uit en doe of ik linksaf ga. “Toet-toet!”. Haha, ze denken echt dat ik nog ff de berg op ga. Het fietsen gaat best wel goed nog, na vier fietsdagen en vandaag al meer dan 100 km. Koeienbellen, de Col du Perjuret en rechtdoor de smalle weg omhoog. Hier kom je op de hoogvlakte. Deze weg is erg sfeervol, over kale vlakten, het waait er altijd, nu ook. Het is er groener dan vorige jaren. Er lopen veel schapen, van die kale, ze kijken ons grappig aan. Mary heeft haar fietsmaatjes gelost en we fietsen langs het eeuwenoude gehucht Costequison. Op de grote weg gaan we linksaf en dalen af naar Meyrueis. Op de mooiste plek van de omgeving, daar waar je rechts de rotspartijen hebt en op een tunneltje afkoerst gaat de telefoon: Arnoud, mijn jongste zoon, is geslaagd. Hoera! In hotel de France begroet ik Caroline en ga lekker in bad. ‘s Avonds, na het diner, vertellen Tim en Thijs over de Ronde van de Mont Aigoual, het verhaal uit de Renner. Tijdens de vragenronde vraag ik of Thijs het herkend dat je tijdens het fietsen een verhaal in je hoofd hebt en bij thuiskomst allerlei details weer vergeten bent. Thijs en Tim hebben tijdens het fietsen helemaal geen tijd voor zotte gedachten. Ik fietste te rustig, dat zal het zijn. Vrijdag. De Ronde van de Mont Aigoual. Vandaag wil ik vlammen. Ik heb hier naar toe geleefd. Om half negen is de traditionele groepsfoto voor het hotel. Vlak erna rijdt een groep met Joep weg. Om vijf voor negen vertrek ik. Op de T-splitsing ga ik rechts. Dorp uit, rotonde, dit klopt niet. Ik rijd terug en nu richting Millau. De groep van negen uur zit nou natuurlijk voor me. Het gaat lekker, vals plat naar beneden tot Le Rozier. Vaak op het grote blad. Rechtsaf Gorge du Tarn. Ik heb nog steeds geen andere fietsers gezien. Die kom ik achterop op de muur van Les Vignes. Mary, Anton, Nico en Joop. Ik denk regelmatig aan de tips van Thijs. Rond blijven. Als het wat zwaarder wordt sta ik op de pedalen. Niet de fiets heen en weer, maar freeze en trekken. Ik verveel me geen moment met de triple. Net zolang schakelen totdat het goed is. Vroeger schakelde ik zo min mogelijk, dat was toen ook lastiger. Ik weet dat je op deze beklimming niet te snel moet denken dat je boven bent. Het is nog een flink eind klimmen naar Cor bovenop de Causse Méjean. De vroege starters, Paul, Joep en Berno gaan daar juist weg als ik aankom. Ik ben verbaasd ze te zien. Ik eet een paar vijgen en ga weer op weg. Op de Col de Rieisse zie ik de drie rijders weer. Op een prachtig punt met weids uitzicht maakt één van hen een foto. Ik snel ze voorbij. Het is alleen maar dalen naar Meyrueis. In het stadje word ik toch nog ingehaald door Berno. Ik heb mij voorgenomen niet teveel te eten tijdens de lunch. Wat aardappelsalade en crème fraiche is genoeg. Ik vertrek samen met Claartje en Jan. Ze liggen al meteen voor. Wat moet het geweldig zijn om deze Ronde samen met je vader te fietsen. Ik zie ze een tijdlang nog voor me. Lannuéjols. Trèves. Dit gebied vind ik schitterend. Sprookjesachtig. Hier speelt het verhaal van de Sperwer van Maheu. Uit dit boek heeft Tim een aantal namen ontleend voor zijn boek De Renner. Ik blijf op tempo. Tenslotte kan ik nu voluit gaan, morgen hoeft er niet gefietst. Deze Koninginnerit is toch best wel zwaar. Gisteren aan tafel, waren de ‘drie beklimmingen en de rest dalen’ op deze dag nog een eitje! Camprieu. De begraafplaats herinner ik mij nog van vorig jaar. Het ziet er nu vriendelijker uit. Waar blijft Cor? Eindelijk. Ik ben nog niet ingehaald en ik wil snel door. Ik neem wat dadels en vijgen en nog wat dadels en vijgen. Ik was mijn handen in het teiltje. Daar komen vier fietsers. Pascal zegt: “Ik dacht dat ik je niet meer zou zien”. Ja ja. Weer op weg. Aan het klimmen komt geen eind. Boven op het skistation Prat Peyrot klappen en roepen een groep wandelaars mij toe: “Courage”. Dalen. Beetje fris wel zonder jack, maar het nieuwe hemdje als tweede huid doet prima dienst. Op het grote blad trap ik mee om warm te blijven. Nu word ik af en toe ingehaald. Pascal, Jelte, Rafaël. Geen Niels nog. Thijs? Tim? Ik heb natuurlijk wel een voorsprong. En Tim heeft zijn dag niet. Vlak voor Meyrueis word ik ingehaald door Niels. Vlak na mij komt Thijs ook binnen. Ik ga een warm bad nemen, want ik ben koud geworden. Mary is afgestapt in Meyrueis na de eerste lus, net als Anton, die was dat gister al van plan. Van Mary had ik het niet gedacht, zij reed juist zo sterk deze week. Ze heeft wellicht gisteren teveel gegeven, het was een zware dag. Mijn tijd van 6.40 uur kan ik bijstellen, omdat ik in het begin 2 km teveel reed. Netto tijd, geschat: 6.35 uur. Vorig jaar reed ik de 140 km nog in 7.12 uur. Het laatste diner in Hotel de France smaakt voortreffelijk. Ik hoef even geen pasta meer. Op veel gezichten kan je zien dat het een zware week was. De stemming is opgelucht en voldaan. Pascal vertelt dat de organisatie erg blij is met het verloop van deze zesde Ronde. Het is een geweldig evenement geworden en hij hoopt dat men er volgend jaar weer bij is. We drinken er op. Het is weer EK-voetbal, Nederland – Frankrijk. Erik organiseert een toto. Het is een boeiende wedstrijd, die wij veelal in oranje bekijken. Tussendoor deelt Tim aan ieder een exemplaar uit van ‘Marte Jacobs’ en schrijft er een persoonlijke boodschap in. Het boek heb ik natuurlijk al en het boeiende verhaal tweemaal gelezen, dat mag de pret niet drukken, het is een mooi aandenken. Mijn voorspelde ruststand 1-0 is goed. Na de rust wordt het 2-1, die had ik ook voorspeld. Alleen is Nederland beter: 3-1 en tenslotte 4-1. Die stand had niemand geraden. Van het totogeld maakt Erik voor iedereen op advies van Thijs een cocktail met pastis en menthesiroop. Het smaakt prima. Feest dus ! Joop en Marco maken, getooid met oranje en een toeter, de straten van Meyrueis onveilig. Hun tocht eindigt in het naburig café. Hier voeg ik mij met een groepje bij hen. De barman draait discomuziek en viert feest. Niks malheurstemming bij die Fransen. Ze laten het tenminste niet merken met onze oranje hoeden op hun hoofd. We feesten tot na enen, dan moet de tent sluiten. Ik ga om 1.30 naar bed, maar het blijft nog lang onrustig in het hotel, tot 5 uur in elk geval. En de eersten gaan dan ook alweer op weg naar huis. Marco en Joop zitten weer vroeg aan het ontbijt. Hebben ze wel geslapen? Zo gaat het evenement langzaam uit. Het was een geweldige week. Van genieten, gezelligheid en prestatie. Op de weg terug schrijf ik op de achterbank 16 bladzijdes in een schriftje. Dat is dit verhaal geworden. Het gaat vooral over het fietsen, over de in totaal 686 afgelegde kilometers. Er is natuurlijk meer te verhalen, en één ding is zeker: de Ronde van Tim Krabbé wordt elk jaar beter en leuker. Nu is het belangrijk de goede conditie vast te houden totdat we weer naar Frankrijk gaan, dan staat de Mont Ventoux op mijn wensenlijst. Ricky Slingerland
|